Meetkunde 2: verschil tussen versies

Ga naar: navigatie, zoeken
k (Wijzigingen door 84.194.98.145 (Overleg) hersteld tot de laatste versie door 10.0.47.97)
(Examens)
 
(58 tussenliggende versies door 19 gebruikers niet weergegeven)
Regel 1: Regel 1:
 
[[Afbeelding:FrankiDillen.jpg|right|Professor Franki Dillen]]
 
[[Afbeelding:FrankiDillen.jpg|right|Professor Franki Dillen]]
 
[[Afbeelding:JoeriKlein.jpg|right|Joeri Van der Veken]]
 
[[Afbeelding:JoeriKlein.jpg|right|Joeri Van der Veken]]
Het examen bestaat uit een deel theorie, mondeling te verdedigen, en een deel oefeningen die enkel schriftelijk uit te werken zijn. Het examen is openboek. Dillen is hierbij zeer los: je kan steeds gewoon rechtstaan om naar het toilet te gaan, of om drinken of eten uit een nabije automaat te halen. Je krijgt 5 uur om alle vragen op te lossen. Cursus Meetkunde I, schrijfgerief en rekenmachine zijn toegelaten.  In 2007-2008 is een deel gegeven door Joeri Van der Veken.  Deze heeft dan ook een deel van het examen afgenomen.
 
  
== Examens ==
+
=Samenvattingen=
 +
[[Meetkunde 2/Samenvattingen| Klik hier om de samenvattingen te bekijken]]
  
=== 2008-06-13 ===
+
=Het examen=
====Theorie====
+
Het examen bestaat uit een deel theorie, mondeling te verdedigen, en een deel oefeningen die enkel schriftelijk uit te werken zijn. Het examen is openboek. Dillen is hierbij zeer los: je kan steeds gewoon rechtstaan om naar het toilet te gaan, of om drinken of eten uit een nabije automaat te halen. Je krijgt 5 uur om alle vragen op te lossen. Cursus Meetkunde I, schrijfgerief en rekenmachine zijn toegelaten.  In 2007-2008 is een deel gegeven door Joeri Van der Veken.  Deze heeft dan ook een deel van het examen afgenomen. In 2009-2010 waren er drie lesgevers: Joeri Van der Veken voor projectieve meetkunde, Hendrik Hubrechts voor de algebraïsche meetkunde en Professor Dillen gaf de differentiaalmeetkunde. De mondelinge vragen waren dan ook verdeeld over de drie.
 +
 
 +
Vanaf een academiejaar daarna geeft Joeri Van der Veken het volledige vak. Het examen bestaat telkens uit twee mondelinge vragen die meer theoretisch van aard zijn, en drie schriftelijke vragen die als oefeningen beschouwd worden. De cursus bestaat uit drie grote delen, en er komt dan ook 1 oefening over elk van die drie delen. Het examen is nog steeds open boek en duurt vier uur. Zorg ervoor dat je goed voorbereid bent op de oefeningen, want het rekenwerk kan wat tijd in beslag nemen. Als je echt geen tijd meer hebt, kan je opschrijven wat de manier is zonder het uit te werken, en dan krijg je daar nog wel punten voor.
 +
 
 +
=Examens=
 +
==2018-06-22==
 +
[[Media:Examen_22_06_2018_Meetkunde_2.pdf | Examen 22 juni 2018]]
 +
 
 +
==2018-06-11==
 +
[[Media:Examen_2018_Meetkunde_2.pdf | Examen 11 juni 2018]]
 +
 
 +
==2017-06-23==
 +
Disclaimer: kunnen fouten in staan <br>
 +
[[Media:MeetkundeII-23-06-2017.pdf | Examen 23 juni 2017]]
 +
 
 +
==2016-08==
 +
Disclaimer: kunnen fouten in staan <br>
 +
[[Media:Herexamen_Meetkunde_II_2016.pdf | Examen augustus 2016]]
 +
 
 +
==2015-08-25==
 +
[[Media:Examenmeet2tweedekans.pdf|Herexamen 2015]]
 +
 
 +
==2015-06-08==
 +
 
 +
[[Media:Meetkunde_II_juni.pdf|Examen 8 juni 2015]]
 +
 
 +
==2013-06-10==
 +
De vragen zijn niet echt volledig en kunnen fouten bevatten. Vul gerust aan waar je kan.
 +
===Mondeling===
 +
#
 +
## Bepaal de dimensie van de complexe vectorruimte van homogene veeltermen van graad 2.
 +
## Stel <math>\mathcal{K}</math> is de verzameling van alle kegelsneden in <math>\mathbb{C}P^2</math>. Toon aan dat deze een projectieve ruimte bepalen en bepaal tevens de dimensie.
 +
## Toon aan dat de kegelsneden van <math>\mathcal{K}</math> die de punten <math>E_0 , E_1 en E_2</math> bevatten en die <math>E_2</math> raken aan de raaklijn gegeven door <math>x_0 + x_1 = 0</math> een 1-dimensionale ruimte bepaald. Deze verzameling noemt men een kegelsnedenbundel.
 +
## Gegeven de kromme <math>(x_0+x_1)^2x_2^2+x_0^2x_1^2+x_0^2x_1x_2</math>. Bewijs met behulp van bovenstaande kegelsnedenbundel dat deze kromme rationaal is en bepaal een rationale parametrisatie.
 +
# Zij <math>x_1 : \mathbb{R}^2 \rightarrow \mathbb{R}P^2 : (u,v) \mapsto [(1,u,v)]</math>
 +
## Toon aan dat <math>x_1</math> injectief is.
 +
## Toon aan dat <math>\mathbb{R}P^2</math> een abstract oppervlak is door een verzameling <math>\{ x_i | i = 1,...,n\}</math> (voor een n naar keuze, zo groot als je nodig acht) samen te stellen zodat heel <math>\mathbb{R}P^2</math> overdekt wordt en de overgangsafbeeldingen diffeomorfismen zijn.
 +
 
 +
===Schriftelijk===
 +
# Zij <math>a \leftrightarrow x_0 = 0</math>, <math>b \leftrightarrow x_0 + x_1 = 0</math>, <math>c \leftrightarrow x_1 = 0</math>, <math>d \leftrightarrow x_0+x_1+x_2 = 0</math> in <math>\mathbb{R}P^2</math>.
 +
##Bepaal de verzameling van rechten <math>l \leftrightarrow u_0x_0+u_1x_1+u_2x_2 = 0 </math> zodat <math>(A,B,C,D)=3</math> met <math>A</math> de doorsnede van <math>l</math> en <math>A</math> enzovoort.
 +
##Wat wordt deze verzameling rechten in de duale ruimte?
 +
# Stel de kromme C is gegeven door de parametrisatie <math>\begin{cases}x(t) &= \frac{1+t^2}{2 + t^3}\\ y(t) &= \frac{t}{2 + t^3}\end{cases}</math>
 +
## Bepaal de asymptoten aan C
 +
## Geef de nodige voorwaarden zodat <math>t_1, t_2, t_3</math> 3 collineaire punten bepalen?
 +
## Toon aan dat C een keerpunt bevat en bepaal tevens de affiene coördinaten van dit punt.
 +
# Gegeven is <math>\{ (x,y,z) \in \mathbb{E}^3 | z = x^3 - 3 xy^2 \}</math>
 +
## Bepaal de Gauss-kromming aan dit oppervlak en toon aan dat deze enkel afhangt van de afstand tot de z-as.
 +
## iets over extrema
 +
## (bonuspunt) Waarom denk je dat ze deze kromme het apenzadel noemen?
 +
 
 +
==2012-06-27==
 +
[[Media:Meetkunde2-27juni2012.pdf]]
 +
 
 +
==2010-06-23==
 +
 
 +
===Theorie===
 +
# Als <math>l_1</math> en <math>l_2</math> rechten zijn in <math>\mathbb{A}^2</math>, met oneigenlijke punten <math>P_1</math> en <math>P_2</math> in de gecomplexifieerde ruimte <math>(\mathbb{R}P^2)^\mathbb{C}</math>. Bewijs dan dat de hoek tussen <math>l_1</math> en <math>l_2</math> gelijk is aan <math>\frac{1}{2}|\log(P_1,P_2,I,J)|</math>, waarbij log de complexe logaritme is en I en J de isotrope punten (de punten op oneindig van een cirkel, als je de rechte <math>x_2=0</math> als oneigenlijke rechte neemt zijn I en J gelijk aan <math>[(1,i,0)]</math> en <math>[(1,-i,0)]</math>).
 +
# We definiëren de rechten <math>l_i</math> als <math>x_i=0</math> voor i = 0,1,2. We hebben een kromme C in <math>\mathbb{R}P^2</math> waartoe <math>E_0</math>, <math>E_1</math> en <math>E_2</math> toe behoren en die in <math>E_0</math> de rechten <math>l_1</math> en <math>l_2</math>, in <math>E_1</math> de rechten <math>l_0</math> en <math>l_2</math> en in <math>E_2</math> de rechten <math>l_0</math> en <math>l_1</math> als hoofdraaklijnen heeft.
 +
## Wat is de laagste graad die C kan hebben en bewijs.
 +
## Bewijs met Stelling 13 (pagina 146) dat de graad van een niet-ontaarde kromme C groter of gelijk is aan 5.
 +
## Geef een voorbeeld van een kromme C met een zo laag mogelijke graad en bewijs dat de graad niet lager kan.
 +
# Gegeven een kromme <math>\alpha\colon I \to \mathbb{E}^3</math> en een vectorveld <math>\beta \colon I \to T\mathbb{E}^3</math> langs <math>\alpha</math> met <math>\beta\cdot \beta=1</math>. Beschouw het regeloppervlak <math>M</math>, gegeven door <math>x(u,v) = \alpha(u) + v\beta(u)</math>. We veronderstellen dat <math>\forall u : \beta'(u)\cdot \beta'(u)\neq 0</math>.
 +
## Toon aan dat er juist één kromme <math>\gamma</math> op <math>M</math> ligt van de vorm <math>\gamma(t) = \alpha(t) + v(t) \beta(t)</math>, die voldoet aan <math>\gamma'(t)\cdot \beta'(t) =0 </math> voor alle <math>t</math>. Deze kromme wordt de strictlijn genoemd.
 +
## Leg uit waarom het regeloppervlak ook beschreven wordt door <math>x(u,v) = \gamma(u)+v\beta(u)</math>, waarbij <math>\gamma</math> de strictlijn is.
 +
## Toon aan dat <math>\gamma'\times\beta= p\beta'</math> voor een zekere functie <math>p=p(u)</math> en dat de Gausskromming van <math>M</math> gegeven wordt door <math>K = \frac{-p^2}{(p^2+v^2)^2}</math>.
 +
## Kan je nu bewijzen dat een plat regeloppervlak lokaal een deel van een cilinder, kegel of raaklijnenoppervlak is?
 +
 
 +
===Oefeningen===
 +
#
 +
## Bewijs dat als een projectieve afbeelding <math> f \in GL(2,\mathbb{R})</math> met <math>f\circ f = Id \neq f </math> het spoor van f gelijk is aan 0.
 +
## Stel dat ABC een driehoek is in <math>\mathbb{E}^2</math>, en P,Q en R drie collineaire punten op de rechte l (die verschillend is van AB, BC en CA). Dan zijn <math>P' = l\cap AB</math>, <math>Q' = l\cap BC</math> en <math>R' = l\cap CA</math>. Bewijs dan dat de rechten PC, QA en RB concurrent zijn als en slechts als er een projectieve transformatie g bestaat die voldoet aan de voorwaarden uit puntje (1) en die P, Q en R afbeeldt op respectievelijk P', Q' en R'.
 +
## We hebben twee rechten <math>l_1</math> en <math>l_2</math> in <math>\mathbb(A)^3</math> die loodrecht op elkaar staan. Vind een afbeelding die de oneigenlijke punten op de (gecomplexifieerde) ruimte op oneindig van deze twee rechten op elkaar afbeeldt.
 +
## Gebruik punje (2) en (3) van deze vraag om aan te tonen dat de hoogtelijnen van een driehoek concurrent zijn.
 +
 
 +
# We hebben een rationale kromme C in <math>\mathbb{C}P^2</math> gegeven met <math>x = \frac{2bt^2}{1+t^2}</math> en <math> y = \frac{2bt^3}{1+t^2}</math>.
 +
## Bepaal de graad van C zonder t te elimineren.
 +
## Bepaal de voorwaarden opdat drie punten van de kromme C met parameters <math>t_1</math>, <math>t_2</math> en <math>t_3</math> collineair zijn.
 +
## Bepaal de algebraische schrijfwijze van C.
 +
 
 +
==2009-08-28==
 +
Ik heb erop gezet wat ik mij nog herinner... (mensen die kunnen aanvullen?) --[[Gebruiker:Pieterrr|Pieterrr]] 28 aug 2009 15:04 (UTC)
 +
 
 +
===Theorie===
 +
Deze vraag moest verdedigd bij Joeri
 +
## Definieer een poolhypervlak van een punt t.o.v. 2 Hypervlakken in <math>\mathbb{C}P^n</math> op 2 verschillende manieren.
 +
## Bespreek de meetkundige constructie van de poollijn van een punt in <math>\mathbb{C}P^2</math>.
 +
 
 +
Deze vragen moesten verdedigd bij professor Dillen
 +
# Definieer de begrippen enkelvoudig en meervoudig punt voor een willekeurig punt ''P'' van een algebraïsche kromme ''C = V(F)'' in <math>\mathbb{C}P^2</math> aan de hand van het begrip snijpuntsmultipliciteit. Voer ook het begrip hoofdraaklijn in.
 +
# Beschouw een <math>x:U \subseteq \mathbb{R}^2 \rightarrow M \subseteq \mathbb{E}</math> waarvoor <math>x_u*x_v=0</math> en <math>x_u * x_u = x_v * x_v</math>, Bewijs dan dat <math>x_{uu} + x_{vv} = 2EH \xi</math> (hint: bewijs eerst dat <math>x_{uu}+x_{vv}</math> normaal is)
 +
 
 +
===Oefeningen===
 +
# Bepaal een projectieve <math>\mathbb{C}P^2 \rightarrow \mathbb{C}P^2</math> transformatie die de rechten <math>x_0+x_1=0</math>, <math>x_0+x_2=0</math>, <math>x_0+x_1+x_2=0</math>, <math>x_1+x_2=0</math> afbeeldt op <math>x_0+x_2=0</math>, <math>x_0+x_1=0</math>, <math>x_1+x_2=0</math>, <math>x_0+x_1+x_2=0</math>, respectievelijk.
 +
# ?
 +
# ?
 +
 
 +
==2009-06-24==
 +
[[Media:ExamenMeetkunde2bis.pdf]]
 +
 
 +
==2009-06-17==
 +
 
 +
===Theorie===
 +
 
 +
#Beschouw <math>\mathbb{E}^3</math>. Een kromme <math>\alpha(t)</math> op een oppervlak is een ''hoofdkromme'' indien de afgeleide <math>\alpha^\prime (t)</math> steeds langs een hoofdrichting ligt, m.a.w. als <math>S\alpha^\prime (t)</math> evenredig is met <math>\alpha^\prime (t)</math> voor alle <math>t</math> (waarbij <math>S</math> de shape-operator voorstelt). Veronderstel nu dat een oppervlak <math>M</math> langs een kromme <math>\alpha(t)</math> raakt aan een sfeer met straal <math>R</math> en middelpunt <math>m</math>. Toon aan dat <math>\alpha(t)</math> een hoofdkromme is.
 +
#Gegeven zijn een punt <math>P\in\mathbb{R}P^n</math> en een hyperkwadriek <math>\mathcal{H}=\{[x]\in\mathbb{R}P^n|x^TAx=0\}</math>. Dan definiëren we het ''poolhypervlak'' van <math>P</math> ten opzichte van <math>\mathcal{H}</math> als <math>\pi_P(\mathcal{H})=\{[x]\in\mathbb{R}P^n|p^TAx=0\}</math>. Bewijs nu de volgende uitspraken.
 +
##Het begrip poolhypervlak is een projectief invariant, m.a.w. <math>\forall\phi\in PL(n,\mathbb{R}):\phi(\pi_P(\mathcal{H}))=\pi_{\phi(P)}(\phi(\mathcal{H}))</math>.
 +
##Als <math>P</math> op het hyperkwadriek <math>\mathcal{H}</math> ligt, dan valt het poolhypervlak samen met het raakhypervlak aan <math>\mathcal{H}</math> in <math>P</math>.
 +
##Het poolhypervlak is de meetkundige plaats van alle punten die harmonisch toegevoegd zijn aan <math>P</math> ten opzichte van <math>l\cap\mathcal{H}</math>, waarbij <math>l</math> een variabele rechte is door <math>P</math>.
 +
 
 +
===Oefeningen===
 +
 
 +
#Zij <math>\phi:\mathbb{R}P^2\rightarrow\mathbb{R}P^2</math> een projectieve afbeelding en <math>P\in\mathbb{R}P^2</math>.
 +
##Toon aan dat volgende twee uitspraken equivalent zijn.
 +
###Voor alle <math>Q\in\mathbb{R}P^2</math> zijn <math>P, Q, \phi(Q)</math> colineaire punten.
 +
###Voor alle rechten <math>l</math> door <math>P</math> geldt dat <math>\phi(l)=l</math>.
 +
##Toon aan dat een punt <math>P</math> dat aan de voorwaarden van het voorgaande voldoet, een vast punt is.
 +
##Toon aan dat dit punt uniek is in het geval <math>\phi\neq Id</math>.
 +
#Beschouw twee viervlakken <math>ABCD</math> en <math>A^\prime B^\prime C^\prime D^\prime</math> in <math>\mathbb{R}P^2</math>. Veronderstel dat <math>P_1=AB\cap A^\prime B^\prime</math>, <math>P_2=BC\cap B^\prime C^\prime</math>, <math>P_3=AC\cap A^\prime C^\prime</math>, <math>P_4=BD\cap B^\prime D^\prime</math> en <math>P_5=CD\cap C^\prime D^\prime</math> alle colineair zijn en dus op een gemeenschappelijke rechte <math>l</math> liggen. Toon aan dat dan ook <math>P_6=AD\cap A^\prime D^\prime</math> op deze rechte ligt.
 +
#Bepaal de snijpunten en hun multipliciteiten van <math>C_1=V(x_0^3+x_1^3-2x_0x_1x_2)</math> en <math>C_2=V(x_0^3+x_1^3-x_2(x_0^2+x_1^2))</math>.
 +
#Beschouw een afbeelding <math>x:\mathbb{R}^2\rightarrow\mathbb{E}^3:(u,v)\mapsto x(u,v)=(u,v,f(u,v))</math>.
 +
##Bepaal hiervan de Gausskromming en de gemiddelde kromming.
 +
##Veronderstel dat <math>f(u,v)=f_1(u)+f_2(v)</math> en <math>f_1(0)=f_2(0)=f_1^\prime (0)=f_2^\prime (0)=0</math>. Toon aan dat als <math>x</math> een minimaal oppervlak beschrijft, dat dan <math>f(u,v)=0</math> of <math>f(u,v)=\frac{1}{a}\ln\left(\frac{\cos(au)}{\cos(av)}\right)</math> met <math>a\in\mathbb{R}_0</math>.
 +
 
 +
==2008-06-13==
 +
===Theorie===
 
#Deze vragen moesten worden verdedigd bij Joeri
 
#Deze vragen moesten worden verdedigd bij Joeri
 
##Definieer de begrippen ''lineair systeem van hypervlakken in'' <math>KP^n</math> en ''as van een lineair systeem''. Toon aan dat we m.b.v. het tweede een alternatieve definitie van het eerste kunnen geven.
 
##Definieer de begrippen ''lineair systeem van hypervlakken in'' <math>KP^n</math> en ''as van een lineair systeem''. Toon aan dat we m.b.v. het tweede een alternatieve definitie van het eerste kunnen geven.
Regel 20: Regel 145:
 
###Bijvraag: in de opgave staat niet wat precies bedoeld wordt met "Gauskromming is een isometrische invariant". Hoe heb je dit gedefinieerd?
 
###Bijvraag: in de opgave staat niet wat precies bedoeld wordt met "Gauskromming is een isometrische invariant". Hoe heb je dit gedefinieerd?
  
====Oefeningen====
+
===Oefeningen===
 
#Zij <math>\phi: \mathbb{R}P^1 \to \mathbb{R}P^1</math> een projectieve transformatie met minstens 1 vast punt. Zij <math>\phi \circ \phi = Id \not = \phi</math>. Bewijs dan dat <math>\phi</math> precies 2 vaste punten <math>A, B</math> heeft en dat voor <math>X \in \mathbb{R}P^1 \setminus \{A,B\}</math> de dubbelverhouding <math>(A,B,X, \phi(X))</math> niet afhangt van <math>X</math>.
 
#Zij <math>\phi: \mathbb{R}P^1 \to \mathbb{R}P^1</math> een projectieve transformatie met minstens 1 vast punt. Zij <math>\phi \circ \phi = Id \not = \phi</math>. Bewijs dan dat <math>\phi</math> precies 2 vaste punten <math>A, B</math> heeft en dat voor <math>X \in \mathbb{R}P^1 \setminus \{A,B\}</math> de dubbelverhouding <math>(A,B,X, \phi(X))</math> niet afhangt van <math>X</math>.
 
#Zij <math>C=V(f)</math> met <math>f \in \mathbb{C}[x_0,x_1,x_2]</math> een veelterm van graad <math>\geq 3</math>.  Zij <math>h_f</math> de determinant van de matrix <math>( \frac{\delta^2 f}{\delta x_i x_j})_{i,j}</math>.
 
#Zij <math>C=V(f)</math> met <math>f \in \mathbb{C}[x_0,x_1,x_2]</math> een veelterm van graad <math>\geq 3</math>.  Zij <math>h_f</math> de determinant van de matrix <math>( \frac{\delta^2 f}{\delta x_i x_j})_{i,j}</math>.
Regel 32: Regel 157:
 
##Geef de nodige en voldoende voorwaarden op <math>t_0, t_1, t_2</math> zodat voor verschillende complexe getallen <math>t_0, t_1, t_2</math> de raaklijnen aan <math>C</math>door <math>\phi(t_0), \phi(t_1), \phi(t_2)</math> concurrent zijn.
 
##Geef de nodige en voldoende voorwaarden op <math>t_0, t_1, t_2</math> zodat voor verschillende complexe getallen <math>t_0, t_1, t_2</math> de raaklijnen aan <math>C</math>door <math>\phi(t_0), \phi(t_1), \phi(t_2)</math> concurrent zijn.
  
=== 2007-06-28 ===
+
==2007-06-28==
  
==== Theorie ====
+
===Theorie===
  
 
# Definieer het begrip harmonisch puntenviertal. Definieer vervolgens de poollijn van een punt P ten opzichte van twee rechten. Geef een alternatieve definitie voor poollijn. Bespreek vervolgens de meetkundige constructie voor de poollijn van een punt.
 
# Definieer het begrip harmonisch puntenviertal. Definieer vervolgens de poollijn van een punt P ten opzichte van twee rechten. Geef een alternatieve definitie voor poollijn. Bespreek vervolgens de meetkundige constructie voor de poollijn van een punt.
Regel 42: Regel 167:
 
##Beschouw twee oppervlakken <math>M_1</math> en <math>M_2</math> die elkaar snijden in een reguliere kromme. Zij <math>\alpha:I \to U</math> een parametrisatie van deze kromme. We zeggen dat <math>\alpha </math> een hoofdkromme is van een oppervlak als en slechts als <math>\alpha' </math> een eigenvector is van de Shape-operator S. Veronderstel dat de normalen <math>\xi_1 </math> en <math>\xi_2 </math> van de oppervlakken op <math>\alpha </math> een constante hoek <math>\theta </math> maken met <math>0\leq \theta \leq \pi</math>. Als <math>\theta\in \{0,\pi\} </math>. Toon aan dat <math>\xi_1 S_2(\alpha\prime)+\xi_2 S_1(\alpha\prime)=0.</math>, waarbij <math>S_i</math> de shape-operator van <math>M_i</math> is,  en leid daaruit af dat <math>\alpha </math> een hoofdkromme is van <math>M_1</math> als en slechts als <math>\alpha </math> een hoofdkromme is van <math>M_2</math>.
 
##Beschouw twee oppervlakken <math>M_1</math> en <math>M_2</math> die elkaar snijden in een reguliere kromme. Zij <math>\alpha:I \to U</math> een parametrisatie van deze kromme. We zeggen dat <math>\alpha </math> een hoofdkromme is van een oppervlak als en slechts als <math>\alpha' </math> een eigenvector is van de Shape-operator S. Veronderstel dat de normalen <math>\xi_1 </math> en <math>\xi_2 </math> van de oppervlakken op <math>\alpha </math> een constante hoek <math>\theta </math> maken met <math>0\leq \theta \leq \pi</math>. Als <math>\theta\in \{0,\pi\} </math>. Toon aan dat <math>\xi_1 S_2(\alpha\prime)+\xi_2 S_1(\alpha\prime)=0.</math>, waarbij <math>S_i</math> de shape-operator van <math>M_i</math> is,  en leid daaruit af dat <math>\alpha </math> een hoofdkromme is van <math>M_1</math> als en slechts als <math>\alpha </math> een hoofdkromme is van <math>M_2</math>.
  
==== Oefeningen ====
+
===Oefeningen===
  
 
# Vind alle projectieve transformaties <math>\phi: \mathbb{F}_2P^2\to\mathbb{F}_2P^2 </math> zodat <math> \phi([(0,1,1)])=[(0,0,1)]</math> en <math> \phi([(1,1,0)])=[(0,1,1)]</math> en zodat de rechte met vergelijking <math> x_0+x_1=0</math> wordt afgebeeld op <math> x_1+x_2=0</math>.
 
# Vind alle projectieve transformaties <math>\phi: \mathbb{F}_2P^2\to\mathbb{F}_2P^2 </math> zodat <math> \phi([(0,1,1)])=[(0,0,1)]</math> en <math> \phi([(1,1,0)])=[(0,1,1)]</math> en zodat de rechte met vergelijking <math> x_0+x_1=0</math> wordt afgebeeld op <math> x_1+x_2=0</math>.
Regel 55: Regel 180:
 
## Neem nu <math>f(u)=e^{-u^2}</math>. Maak een schets van het omwentelingsoppervlak en bespreek de Gauskromming ervan aan de hand daarvan.
 
## Neem nu <math>f(u)=e^{-u^2}</math>. Maak een schets van het omwentelingsoppervlak en bespreek de Gauskromming ervan aan de hand daarvan.
  
=== 2006-06-19 ===
+
==2006-06-19==
 
 
==== Theorie ====
 
  
 +
===Theorie===
 
# Definieer de begrippen enkelvoudig en meervoudig punt voor een willekeurig punt ''P'' van een algebraïsche kromme ''C = V(F)'' in <math>\mathbb{C}P^2</math> aan de hand van het begrip snijpuntsmultipliciteit. Voer ook het begrip hoofdraaklijn in. Bespreek het geval dat ''P'' een dubbelpunt is grondig.
 
# Definieer de begrippen enkelvoudig en meervoudig punt voor een willekeurig punt ''P'' van een algebraïsche kromme ''C = V(F)'' in <math>\mathbb{C}P^2</math> aan de hand van het begrip snijpuntsmultipliciteit. Voer ook het begrip hoofdraaklijn in. Bespreek het geval dat ''P'' een dubbelpunt is grondig.
 
# Beschouw een oppervlak <math>M \subseteq \mathbb{E}^3</math> en een oppervlaksegment <math>x : U \subseteq \mathbb{R}^2 \rightarrow M \subseteq \mathbb{E}^3</math> van ''M''. Zij <math>p = x(u_0,v_0) \in M</math>
 
# Beschouw een oppervlak <math>M \subseteq \mathbb{E}^3</math> en een oppervlaksegment <math>x : U \subseteq \mathbb{R}^2 \rightarrow M \subseteq \mathbb{E}^3</math> van ''M''. Zij <math>p = x(u_0,v_0) \in M</math>
Regel 66: Regel 190:
 
## Interpreteer dit resultaat. Geef in het bijzonder commentaar over de normale kromming van minimale oppervlakken.
 
## Interpreteer dit resultaat. Geef in het bijzonder commentaar over de normale kromming van minimale oppervlakken.
  
==== Oefeningen ====
+
===Oefeningen===
 
 
 
# Elke projectieve transformatie <math>\varphi : \mathbb{R}P^{2006} \rightarrow \mathbb{R}P^{2006}</math> heeft minstens 1 vast punt. Bewijs of geef een tegenvoorbeeld.
 
# Elke projectieve transformatie <math>\varphi : \mathbb{R}P^{2006} \rightarrow \mathbb{R}P^{2006}</math> heeft minstens 1 vast punt. Bewijs of geef een tegenvoorbeeld.
 
# Zij <math>P^n</math> een projectieve ruimte. Bewijs de volgende uitspraken (die we in de oefenzittingen gebruikt hebben):
 
# Zij <math>P^n</math> een projectieve ruimte. Bewijs de volgende uitspraken (die we in de oefenzittingen gebruikt hebben):
Regel 80: Regel 203:
 
## Bereken <math>\inf_{p \in M} H</math> en <math>\sup_{p \in M} H</math>. Worden infimum en supremum bereikt? Zo ja, in welk punt?
 
## Bereken <math>\inf_{p \in M} H</math> en <math>\sup_{p \in M} H</math>. Worden infimum en supremum bereikt? Zo ja, in welk punt?
  
=== 2006-08-21 ===
+
==2006-08-21==
 
De vragen zijn niet zo volledig als vorige keer, ik had geen tijd om ze over te schrijven nu. Hopelijk zijn ze iets waard. Excuses voor eventuele fouten.
 
De vragen zijn niet zo volledig als vorige keer, ik had geen tijd om ze over te schrijven nu. Hopelijk zijn ze iets waard. Excuses voor eventuele fouten.
==== Theorie ====
 
  
 +
===Theorie===
 
# Zelfde als in eerste zit.
 
# Zelfde als in eerste zit.
 
# Gegeven een compact oppervlak <math>x: U\subseteq \mathbb{R}^2\to\mathbb{E}^3</math> en een functie <math>f : \mathbb{E}^3 \rightarrow \mathbb{R} : w \mapsto f(w) = ||w||^2 = w \cdot w</math>. We gaan bewijzen dat er een punt bestaat op het oppervlak zodat de Gausskromming strikt negatief is.
 
# Gegeven een compact oppervlak <math>x: U\subseteq \mathbb{R}^2\to\mathbb{E}^3</math> en een functie <math>f : \mathbb{E}^3 \rightarrow \mathbb{R} : w \mapsto f(w) = ||w||^2 = w \cdot w</math>. We gaan bewijzen dat er een punt bestaat op het oppervlak zodat de Gausskromming strikt negatief is.
Regel 90: Regel 213:
 
## Concludeer hieruit dat de kromming negatief is in dit punt.
 
## Concludeer hieruit dat de kromming negatief is in dit punt.
  
==== Oefeningen ====
+
===Oefeningen===
 
 
 
# Zij <math>\varphi</math> een projectieve transformatie van <math>\mathbb{C}P^1</math> zodanig dat <math>\varphi(A_1) = A_2</math>, <math>\varphi(A_2) = A_3</math> en <math>\varphi(A_3) = A_1</math>.
 
# Zij <math>\varphi</math> een projectieve transformatie van <math>\mathbb{C}P^1</math> zodanig dat <math>\varphi(A_1) = A_2</math>, <math>\varphi(A_2) = A_3</math> en <math>\varphi(A_3) = A_1</math>.
 
## Bewijs dat <math>\varphi \circ \varphi \circ \varphi</math> de identieke transformatie is.
 
## Bewijs dat <math>\varphi \circ \varphi \circ \varphi</math> de identieke transformatie is.
Regel 104: Regel 226:
 
## Als we het omwentelingslichaam, verkregen door een tractrice te wentelen rond de x-as, beschouwen, dan is de Gausskromming van dit lichaam constant en strikt negatief (denk ik). Bewijs dit.
 
## Als we het omwentelingslichaam, verkregen door een tractrice te wentelen rond de x-as, beschouwen, dan is de Gausskromming van dit lichaam constant en strikt negatief (denk ik). Bewijs dit.
  
[[Categorie:2bw]]
+
[[Categorie:2bw]][[Categorie:2bf]][[Categorie:3bw]]

Huidige versie van 22 jun 2018 om 15:01

Professor Franki Dillen
Joeri Van der Veken

Samenvattingen

Klik hier om de samenvattingen te bekijken

Het examen

Het examen bestaat uit een deel theorie, mondeling te verdedigen, en een deel oefeningen die enkel schriftelijk uit te werken zijn. Het examen is openboek. Dillen is hierbij zeer los: je kan steeds gewoon rechtstaan om naar het toilet te gaan, of om drinken of eten uit een nabije automaat te halen. Je krijgt 5 uur om alle vragen op te lossen. Cursus Meetkunde I, schrijfgerief en rekenmachine zijn toegelaten. In 2007-2008 is een deel gegeven door Joeri Van der Veken. Deze heeft dan ook een deel van het examen afgenomen. In 2009-2010 waren er drie lesgevers: Joeri Van der Veken voor projectieve meetkunde, Hendrik Hubrechts voor de algebraïsche meetkunde en Professor Dillen gaf de differentiaalmeetkunde. De mondelinge vragen waren dan ook verdeeld over de drie.

Vanaf een academiejaar daarna geeft Joeri Van der Veken het volledige vak. Het examen bestaat telkens uit twee mondelinge vragen die meer theoretisch van aard zijn, en drie schriftelijke vragen die als oefeningen beschouwd worden. De cursus bestaat uit drie grote delen, en er komt dan ook 1 oefening over elk van die drie delen. Het examen is nog steeds open boek en duurt vier uur. Zorg ervoor dat je goed voorbereid bent op de oefeningen, want het rekenwerk kan wat tijd in beslag nemen. Als je echt geen tijd meer hebt, kan je opschrijven wat de manier is zonder het uit te werken, en dan krijg je daar nog wel punten voor.

Examens

2018-06-22

Examen 22 juni 2018

2018-06-11

Examen 11 juni 2018

2017-06-23

Disclaimer: kunnen fouten in staan
Examen 23 juni 2017

2016-08

Disclaimer: kunnen fouten in staan
Examen augustus 2016

2015-08-25

Herexamen 2015

2015-06-08

Examen 8 juni 2015

2013-06-10

De vragen zijn niet echt volledig en kunnen fouten bevatten. Vul gerust aan waar je kan.

Mondeling

    1. Bepaal de dimensie van de complexe vectorruimte van homogene veeltermen van graad 2.
    2. Stel is de verzameling van alle kegelsneden in . Toon aan dat deze een projectieve ruimte bepalen en bepaal tevens de dimensie.
    3. Toon aan dat de kegelsneden van die de punten bevatten en die raken aan de raaklijn gegeven door een 1-dimensionale ruimte bepaald. Deze verzameling noemt men een kegelsnedenbundel.
    4. Gegeven de kromme . Bewijs met behulp van bovenstaande kegelsnedenbundel dat deze kromme rationaal is en bepaal een rationale parametrisatie.
  1. Zij
    1. Toon aan dat injectief is.
    2. Toon aan dat een abstract oppervlak is door een verzameling (voor een n naar keuze, zo groot als je nodig acht) samen te stellen zodat heel overdekt wordt en de overgangsafbeeldingen diffeomorfismen zijn.

Schriftelijk

  1. Zij , , , in .
    1. Bepaal de verzameling van rechten zodat met de doorsnede van en enzovoort.
    2. Wat wordt deze verzameling rechten in de duale ruimte?
  2. Stel de kromme C is gegeven door de parametrisatie
    1. Bepaal de asymptoten aan C
    2. Geef de nodige voorwaarden zodat 3 collineaire punten bepalen?
    3. Toon aan dat C een keerpunt bevat en bepaal tevens de affiene coördinaten van dit punt.
  3. Gegeven is
    1. Bepaal de Gauss-kromming aan dit oppervlak en toon aan dat deze enkel afhangt van de afstand tot de z-as.
    2. iets over extrema
    3. (bonuspunt) Waarom denk je dat ze deze kromme het apenzadel noemen?

2012-06-27

Media:Meetkunde2-27juni2012.pdf

2010-06-23

Theorie

  1. Als en rechten zijn in , met oneigenlijke punten en in de gecomplexifieerde ruimte . Bewijs dan dat de hoek tussen en gelijk is aan , waarbij log de complexe logaritme is en I en J de isotrope punten (de punten op oneindig van een cirkel, als je de rechte als oneigenlijke rechte neemt zijn I en J gelijk aan en ).
  2. We definiëren de rechten als voor i = 0,1,2. We hebben een kromme C in waartoe , en toe behoren en die in de rechten en , in de rechten en en in de rechten en als hoofdraaklijnen heeft.
    1. Wat is de laagste graad die C kan hebben en bewijs.
    2. Bewijs met Stelling 13 (pagina 146) dat de graad van een niet-ontaarde kromme C groter of gelijk is aan 5.
    3. Geef een voorbeeld van een kromme C met een zo laag mogelijke graad en bewijs dat de graad niet lager kan.
  3. Gegeven een kromme en een vectorveld langs met . Beschouw het regeloppervlak , gegeven door . We veronderstellen dat .
    1. Toon aan dat er juist één kromme op ligt van de vorm , die voldoet aan voor alle . Deze kromme wordt de strictlijn genoemd.
    2. Leg uit waarom het regeloppervlak ook beschreven wordt door , waarbij de strictlijn is.
    3. Toon aan dat voor een zekere functie en dat de Gausskromming van gegeven wordt door .
    4. Kan je nu bewijzen dat een plat regeloppervlak lokaal een deel van een cilinder, kegel of raaklijnenoppervlak is?

Oefeningen

    1. Bewijs dat als een projectieve afbeelding met het spoor van f gelijk is aan 0.
    2. Stel dat ABC een driehoek is in , en P,Q en R drie collineaire punten op de rechte l (die verschillend is van AB, BC en CA). Dan zijn , en . Bewijs dan dat de rechten PC, QA en RB concurrent zijn als en slechts als er een projectieve transformatie g bestaat die voldoet aan de voorwaarden uit puntje (1) en die P, Q en R afbeeldt op respectievelijk P', Q' en R'.
    3. We hebben twee rechten en in die loodrecht op elkaar staan. Vind een afbeelding die de oneigenlijke punten op de (gecomplexifieerde) ruimte op oneindig van deze twee rechten op elkaar afbeeldt.
    4. Gebruik punje (2) en (3) van deze vraag om aan te tonen dat de hoogtelijnen van een driehoek concurrent zijn.
  1. We hebben een rationale kromme C in gegeven met en .
    1. Bepaal de graad van C zonder t te elimineren.
    2. Bepaal de voorwaarden opdat drie punten van de kromme C met parameters , en collineair zijn.
    3. Bepaal de algebraische schrijfwijze van C.

2009-08-28

Ik heb erop gezet wat ik mij nog herinner... (mensen die kunnen aanvullen?) --Pieterrr 28 aug 2009 15:04 (UTC)

Theorie

Deze vraag moest verdedigd bij Joeri

    1. Definieer een poolhypervlak van een punt t.o.v. 2 Hypervlakken in op 2 verschillende manieren.
    2. Bespreek de meetkundige constructie van de poollijn van een punt in .

Deze vragen moesten verdedigd bij professor Dillen

  1. Definieer de begrippen enkelvoudig en meervoudig punt voor een willekeurig punt P van een algebraïsche kromme C = V(F) in aan de hand van het begrip snijpuntsmultipliciteit. Voer ook het begrip hoofdraaklijn in.
  2. Beschouw een waarvoor en , Bewijs dan dat (hint: bewijs eerst dat normaal is)

Oefeningen

  1. Bepaal een projectieve transformatie die de rechten , , , afbeeldt op , , , , respectievelijk.
  2.  ?
  3.  ?

2009-06-24

Media:ExamenMeetkunde2bis.pdf

2009-06-17

Theorie

  1. Beschouw . Een kromme op een oppervlak is een hoofdkromme indien de afgeleide steeds langs een hoofdrichting ligt, m.a.w. als evenredig is met voor alle (waarbij de shape-operator voorstelt). Veronderstel nu dat een oppervlak langs een kromme raakt aan een sfeer met straal en middelpunt . Toon aan dat een hoofdkromme is.
  2. Gegeven zijn een punt en een hyperkwadriek . Dan definiëren we het poolhypervlak van ten opzichte van als . Bewijs nu de volgende uitspraken.
    1. Het begrip poolhypervlak is een projectief invariant, m.a.w. .
    2. Als op het hyperkwadriek ligt, dan valt het poolhypervlak samen met het raakhypervlak aan in .
    3. Het poolhypervlak is de meetkundige plaats van alle punten die harmonisch toegevoegd zijn aan ten opzichte van , waarbij een variabele rechte is door .

Oefeningen

  1. Zij een projectieve afbeelding en .
    1. Toon aan dat volgende twee uitspraken equivalent zijn.
      1. Voor alle zijn colineaire punten.
      2. Voor alle rechten door geldt dat .
    2. Toon aan dat een punt dat aan de voorwaarden van het voorgaande voldoet, een vast punt is.
    3. Toon aan dat dit punt uniek is in het geval .
  2. Beschouw twee viervlakken en in . Veronderstel dat , , , en alle colineair zijn en dus op een gemeenschappelijke rechte liggen. Toon aan dat dan ook op deze rechte ligt.
  3. Bepaal de snijpunten en hun multipliciteiten van en .
  4. Beschouw een afbeelding .
    1. Bepaal hiervan de Gausskromming en de gemiddelde kromming.
    2. Veronderstel dat en . Toon aan dat als een minimaal oppervlak beschrijft, dat dan of met .

2008-06-13

Theorie

  1. Deze vragen moesten worden verdedigd bij Joeri
    1. Definieer de begrippen lineair systeem van hypervlakken in en as van een lineair systeem. Toon aan dat we m.b.v. het tweede een alternatieve definitie van het eerste kunnen geven.
    2. Gebruik deze begrippen om de veralgemeende duale wederkerigheid te formuleren en te bewijzen.
    3. Dualiseer de stelling van de trilineaire poollijn (oefenzitting 5 oefening 11).
      1. Bijvraag: maak een tekening.
      2. Bijvraag: als je bij deze stelling de rechte x op oneindig neemt, welke stelling krijg je dan?
  2. Deze vragen moesten worden verdedigd bij professor Dillen zelve. Zij een oppervlak, en zij een isometrie.
    1. Toon aan dat  := een oppervlak is. (Hint: bewijs dat als een oppervlaksegment is van ,  := een oppervlaksegment van is)
    2. Zij de geinduceerde lineaire afbeelding tussen de rakende ruimten. Toon aan dat = voor alle . Toon dan aan dat als de eenheidsnormaal is, dat een eenheidsnormaal op M' is.
    3. Toon aan dat .
    4. Besluit hieruit dat de Gauss kromming en de gemiddelde kromming isometrische invarianten zijn.
      1. Bijvraag: in de opgave staat niet wat precies bedoeld wordt met "Gauskromming is een isometrische invariant". Hoe heb je dit gedefinieerd?

Oefeningen

  1. Zij een projectieve transformatie met minstens 1 vast punt. Zij . Bewijs dan dat precies 2 vaste punten heeft en dat voor de dubbelverhouding niet afhangt van .
  2. Zij met een veelterm van graad . Zij de determinant van de matrix .
    1. Bewijs dat een homogene veelterm is en dat we dus zin kunnen geven aan .
    2. Bewijs dat: en leid hieruit af dat elk dubbelpunt van ook in ligt. (Hint: gebruik de identiteit van Euler)
    3. Bewijs dat een enkelvoudig punt van een buigpunt is dan en slechts dan indien het ook een punt is van . (Hint: je mag hierbij veronderstellen dat een projectieve invariant is en bijvoorbeeld het enkelvoudig punt kiezen en de raaklijn in .)
    4. Bewijs dat een derdegraadskromme die minstens 1 punt heeft dat geen buigpunt is ten hoogste 9 buigpunten kan hebben.
    5. Zoek alle buigpunten van het folium van descartes ()
  3. Beschouw de kromme in
    1. Geef een rationale parametrisatie die een bijectie induceert tussen en de enkelvoudige punten van .
    2. Geef de nodige en voldoende voorwaarden op zodat voor verschillende complexe getallen de raaklijnen aan door concurrent zijn.

2007-06-28

Theorie

  1. Definieer het begrip harmonisch puntenviertal. Definieer vervolgens de poollijn van een punt P ten opzichte van twee rechten. Geef een alternatieve definitie voor poollijn. Bespreek vervolgens de meetkundige constructie voor de poollijn van een punt.
  2. Beschouw een oppervlak en een oppervlaksegment van M. Zij
    1. Als een kromme is en , toon dan aan dat er een open deel met en een kromme bestaat zodat voor elke . (Hint: Gebruik dat x op een diffeomorfisme na lokaal van de vorm (u,v,f(u,v)) is.)
    2. Zij het eenheidsnormaal vectorveld. We noteren de beperking ook door . Toon aan dat .
    3. Beschouw twee oppervlakken en die elkaar snijden in een reguliere kromme. Zij een parametrisatie van deze kromme. We zeggen dat een hoofdkromme is van een oppervlak als en slechts als een eigenvector is van de Shape-operator S. Veronderstel dat de normalen en van de oppervlakken op een constante hoek maken met . Als . Toon aan dat , waarbij de shape-operator van is, en leid daaruit af dat een hoofdkromme is van als en slechts als een hoofdkromme is van .

Oefeningen

  1. Vind alle projectieve transformaties zodat en en zodat de rechte met vergelijking wordt afgebeeld op .
  2. Beschouw de stelling van de volledige vierzijde in het projectieve vlak. Als we één van de vier zijden als de rechte op oneindig nemen, formuleer dan de stelling in het affiene vlak, met enkel affiene begrippen. Maak een tekening.
  3. Zij een algebraïsche kromme in , gegeven door waarbij een veelterm van graad is. Zij . Definieer de -de poolkromme van ten opzicht van als .
    1. Bewijs dat deze poolkromme een projectieve invariant is (invariant voor projectieve transformaties).
    2. Zij een -voudig punt van met . Bewijs dat .
    3. Bewijs polaire wederkerigheid: .
    4. Wat krijg je voor als een ontaarde kegelsnede is? Bewijs.
  4. Zij een functie die minstens twee maal differentieerbaar is. Zij het omwentelingsoppervlak bepaald door , dus
    1. Bepaal de Gausskromming en de gemiddelde kromming.
    2. Neem nu . Maak een schets van het omwentelingsoppervlak en bespreek de Gauskromming ervan aan de hand daarvan.

2006-06-19

Theorie

  1. Definieer de begrippen enkelvoudig en meervoudig punt voor een willekeurig punt P van een algebraïsche kromme C = V(F) in aan de hand van het begrip snijpuntsmultipliciteit. Voer ook het begrip hoofdraaklijn in. Bespreek het geval dat P een dubbelpunt is grondig.
  2. Beschouw een oppervlak en een oppervlaksegment van M. Zij
    1. Als een kromme is en , toon dan aan dat er een open deel met en een kromme bestaat zodat voor elke .
    2. Zij het eenheidsnormaal vectorveld. We noteren de beperking ook door . Toon aan dat .
    3. Zij een raakvector met en zij H het vlak door p, opgespannen door en w. Dan snijdt H het oppervlak M in de omgeving van p in een kromme. Stel dat een booglengteparametrisatie is van deze kromme, dus en stel dat en . Toon aan dat de normale kromming in de richting van w gegeven is door waarbij de kromming is van , , in het bijzonder is als en als , met N het hoofdnormaalveld van α.
    4. Interpreteer dit resultaat. Geef in het bijzonder commentaar over de normale kromming van minimale oppervlakken.

Oefeningen

  1. Elke projectieve transformatie heeft minstens 1 vast punt. Bewijs of geef een tegenvoorbeeld.
  2. Zij een projectieve ruimte. Bewijs de volgende uitspraken (die we in de oefenzittingen gebruikt hebben):
    1. De doorsnede van 2 lineaire systemen in is opnieuw een lineair systeem, met als as de som van de assen van de oorspronkelijke lineare systemen.
    2. De som van 2 lineaire systemen in (gedefinieerd door de som van de overeenkomstige projectieve deelruimten van de duale ruimte te nemen) is opnieuw een lineair systeem, met als as de doorsnede van de assen van de oorspronkelijke lineaire systemen.
    1. Zij een natuurlijk getal. Argumenteer dat de verzameling van alle algebraïsche krommen van graad m in de structuur heeft van een projectieve ruimte. Schrijf de dimensie van deze ruimte in functie van m.
    2. Noteer met de standaard projectieve ijk in . Toon aan dat de verzameling van de vierdegraadskrommen in door en , met keerpunten in en met respectievelijk keerraaklijnen en , een projectieve deelruimte vormt van de vierdegraadskrommen in en bepaal haar dimensie.
  3. In is een niet-ontaarde parabool P gegeven met daarop 3 onderscheiden punten . Toon aan dat de normalen op P in en concurrent zijn als en slechts als het zwaartepunt van de driehoek op de as van P ligt.
    Hint: kies een geschikte Euclidische ijk en werk met een rationele parametervoorstelling voor P.
  4. Zij M het oppervlak in met vergelijking
    1. Bereken de gemiddelde kromming H en de Gausskromming K van M.
    2. Bereken en . Worden infimum en supremum bereikt? Zo ja, in welk punt?

2006-08-21

De vragen zijn niet zo volledig als vorige keer, ik had geen tijd om ze over te schrijven nu. Hopelijk zijn ze iets waard. Excuses voor eventuele fouten.

Theorie

  1. Zelfde als in eerste zit.
  2. Gegeven een compact oppervlak en een functie . We gaan bewijzen dat er een punt bestaat op het oppervlak zodat de Gausskromming strikt negatief is.
    1. Definieer . Neem een punt waar maximaal is, met . Bewijs dat .
    2. Neem . Definieer . Bewijs dat met Let wel dat de uitdrukking in het linkerlid misschien niet volledig correct is, maar het was alleszins iets van die strekking.
    3. Concludeer hieruit dat de kromming negatief is in dit punt.

Oefeningen

  1. Zij een projectieve transformatie van zodanig dat , en .
    1. Bewijs dat de identieke transformatie is.
    2. Zij een vast punt van . Bewijs dat .
  2. Zij en 2 lineare systemen van zodat ze geen hypervlak gemeen hebben. Neem een hypervlak uit . Dan bestaat er een bundel hypervlakken die zowel als een exemplaar uit en bevat. (Klopt deze vraag wel?)
    1. Dualiseer deze stelling naar .
    2. Dualiseer de stelling naar de assen van de lineaire systemen.
    3. Bewijs 1 van de 3 stellingen (de anderen volgen uit dualiteit).
  3. Wat is de meest algemene vergelijking van een kromme in die graad heeft, waarbij het punt een -voudig punt is, en waarvoor de rechten asymptoten zijn?
  4. Een tractrice is een functie met die voor elk punt voldoet aan de volgende eigenschap: de afstand van naar de x-as, gemeten volgens de raaklijn, is .
    1. Bewijs dat een tractrice voldoet aan volgende differentiaalvergelijking: .
    2. Als we het omwentelingslichaam, verkregen door een tractrice te wentelen rond de x-as, beschouwen, dan is de Gausskromming van dit lichaam constant en strikt negatief (denk ik). Bewijs dit.