Leren en onderwijzen

Ga naar: navigatie, zoeken

Samenvattingen

Samenvatting 2013-14 beschikbaar.

Klik hier om de samenvattingen te bekijken

Informatie over het examen

Dit vak is verplicht in alle specifieke lerarenopleidingen, en dus ook voor veel masterstudenten die de optie onderwijs volgen. Het vak wordt gegeven volgens het principe van "begeleide zelfstudie". Er zijn een vijftal teksten over verschillende onderwerpen op Toledo te vinden en er wordt per tekst een begeleidingssessie gegeven. In een begeleidingssessie worden de vragen van studenten over één bepaalde tekst behandeld (je moet de vragen enkele dagen op voorhand insturen per mail) en wordt de volgende tekst kort overlopen met wat slides. Dit vak wordt meerdere keren per week gegeven aan verschillende groepen, dus als het tijdstip slecht uitkomt of overlap geeft dan kan je dit vak ook volgen bij een andere reeks. Normaalgezien zijn er 3 reeksen.

Het examen is open boek en schriftelijk en duurt drie uur. Het bestaat uit een vijftal vragen. In de meeste gevallen krijg je een stelling of klein stukje tekst en moet je dat bespreken vanuit hetgeen je geleerd hebt.

Je kan ook altijd een kijkje nemen bij de voorganger van dit vak, zijnde Algemene didactiek. De inhoud komt niet volledig overeen, maar het geeft je wel een goed idee.

Examens

januari 2008-2009

Vraag 1

Sarah is een beginnende leraar geschiedenis in de tweede graad van het secundair onderwijs. Omdat zij zich ergert aan het feit dat het gebruikte handboek weinig of geen leerondersteunende elementen bevat die het inzichtelijk verwerken en doelgericht studeren van de leerstof kunnen optimaliseren (bijvoorbeeld geen vermelding van de leerdoelen aan het begin van elke unit, geen verhelderende schema's, geen samenvattingen, geen proefvragen met antwoorden op het einde van elke unit, ...), besluit Sarah een eigen cursus te maken met ruwweg dezelfde leerinhoud als het handboek, waarin de voornoemde ontbrekende hulpmiddelen wel zijn ingelast.

Beoordeel deze praktijk van deze deze beginnende leraar vanuit didactische oogpunt.

Vraag 2

Mevrouw Spanders geeft Chemie. Mevrouw Spanders wil haar leerlingen doen redeneren, denken en oplossingen bedenken zoals een echte Chemist. Ze werkt daarom graag vanuit problemen. Af en toe doet ze voor hoe de leerlingen een probleem moeten aanpakken. De leerlingen werken soms in groepjes. Meestal wordt er met gewone problemen gewerkt, bijvoorbeeld waarom blijft sommige verf aan je handen kleven en andere niet. Er wordt altijd afgesloten met een denkronde, daarin moet elk groepje zeggen hoe ze het hebben aangepakt en wat ze volgende keer anders zouden doen. Soms stelt mevrouw Spanders wel een rare vraag zeggen de leerlingen, dan vraagt ze hoe ze dit probleem thuis zouden kunnen gebruiken. [Dit tekstje is niet het letterlijke tekstje dat op het examen stond, maar bevat er wel enkele elementen van zodat het duidelijk zou moeten zijn ...]

Geef aan in welke zin mevrouw Spanders erin slaagt een krachtige leeromgeving tot stand te brengen. Geef een sterk gestructureerd antwoord dat rekening houdt met al de kenmerken van een krachtige leeromgeving.

Vraag 3

  • Geef met voorbeelden aan hoe de leerlingen in een assessment cultuur actiever bij de verschillende fasen van het evaluatieproces kunnen betrokken worden dan in een testcultuur.
  • Wat zijn hiervan de gevolgen voor objectiviteit en transparantie?

Vraag 4

Na een nascholing over probleemgestuurd onderwijs wil een leraar probleemgestuurd onderwijs introduceren op school. Hij hoopt met dit type onderwijs de leerlingen interessante en uitdagende problemen aan te bieden. De leerlingen werken in kleine groep aan een bepaald probleem. Een andere leerkracht merkt op dat dit soort onderwijs niet voor alle leerlingen even gunstig is. Zeker vanuit motivationeel perspectief zullen sommige leerlingen zich minder aangesproken voelen door probleemgestuurd onderwijs. Voor deze leerlingen zal een voorbereidingsfase of een aanpassing nodig zijn.

Geef aan voor welk type leerlingen vanuit een motivationeel perspectief het probleemgestuurd onderwijs minder zal aanspreken en waarom.

Vraag 5

De voorbije jaren werd er veel gediscussieerd over 'inclusief onderwijs'. Dit is onderwijs waarin alle leerlingen - ook die in het buitengewoon onderwijs - samen onderwijs volgen. Internationale verklaringen over de rechten van kinderen en overtuigingen van ouders liggen mede aan de basis van die beweging, waarbij kinderen met leer- en/of gedragsproblemen maar ook fysiek en zelfs mentaal gehandicapte kinderen gewoon onderwijs volgen.

Wat zijn de gevolgen voor institutionele differentiatie en binnenklasdifferentiatie?


juni 2008-2009

Het volledige examen, inclusief verbetersleutel, vind je hier: Leren en onderwijzen Examen juni 2009.pdf

Vraag 1

In de beginperiode van de informatieverwerkingsbenadering hielden de onderzoekers zich vooral bezig met de studie van het oplossen van artificiële, puzzelachtige taken, zoals bijvoorbeeld de Toren van Hanoi. Wanneer we de resultaten en conclusies van deze initiële studies beoordelen vanuit het standpunt van hun relevantie voor het (leren) oplossen van schoolrelevante probleemtaken, welke belangrijke tekorten dienen dan te worden aangestipt?

Vraag 2

Leerkracht Spoelders beslist om over te gaan tot het hanteren van minder structuur in haar lessen. Ze geeft aan dat een belangrijke doelstelling is dat de leerlingen zelfstandig leren werken en minder structuur zal hiertoe volgens haar zeker bijdragen. Onder welke voorwaarden kan je stellen dat leerkracht Spoelders een juiste beslissing heeft genomen?

Vraag 3

Om de leerlingen meer aandacht te doen besteden aan de spelling van de werkwoorden beslist het lerarenteam van een school om in alle examens over alle vakken systematisch één punt af te trekken per gemaakte dt-fout. Beoordeel deze handelwijze vanuit de klassieke validiteit, de betrouwbaarheid en de transparantie van de examens.

  • Vanuit de validiteit:
  • Vanuit de betrouwbaarheid:
  • Vanuit de transparantie:

Vraag 4

Leerlingen zijn gemotiveerd of ze zijn het niet. In elke klas zitten er zowel gemotiveerde als gedemotiveerde leerlingen. Dus: de leraar en de vormgeving van het onderwijs hebben geen invloed op de motivatie van leerlingen. Geef minstens twee argumenten die pleiten tegen en twee die pleiten voor deze stelling. Verwijs daarbij telkens naar één van de visies (theorieën) op motivatie die in de cursus worden uiteengezet.

  1. Twee argumenten tegen deze stelling:
  2. Twee argumenten voor deze stelling:

Vraag 5

Geef twee redenen waarom leerkrachten er moeten naar streven een positief academisch zelfconcept bij leerlingen te realiseren. En geef aan hoe leerkrachten dit kunnen bevorderen door bepaalde soorten beoordelingscriteria niet en andere wel te hanteren.

  1. Twee redenen:
  2. Hoe al dan niet bevorderen?