Geschiedenis van de wetenschappen

Ga naar: navigatie, zoeken

Samenvattingen

Samenvatting Jonas Soenen (2016-2017): google docs

Samenvatting Kevin Sun hoofdstuk 12-16 (2018-2019) : Media:Samenvatting Geschiedenis van de wetenschap 12-16.pdf

Klik hier om de samenvattingen te bekijken

Algemeen

Geschiedenis van de wetenschappen is een keuzevak van 3 studiepunten dat in alle studierichtingen met minor verbreding van de faculteit wetenschappen kan worden opgenomen. Het vak wordt gedoceerd door Geert Vanpaemel. De twee uur durende hoorcolleges gaan tijdens het academiejaar 2017-2018 elke maandadavond van 18:00 tot 20:00 door. De cursus is te verkrijgen bij de Scientica cursusdienst. Daarnaast worden er via Toledo ook slides beschikbaar gesteld.


Vakevaluatie

Elk puntje hieronder is iemands mening. Verander aub geen puntjes. Als je een andere mening hebt, gelieve ze onderaan toe te voegen.

Kwaliteit cursus (prijs, duidelijkheid, overeenkomst met les, ...)

  • 2017: Vanaf (ten minste) 2016-2017 is er geen reader meer. Wel is er een cursustekst op Toledo, maar deze is onvolledig. Er wordt verwacht dat je zelf notities neemt en voor de laatste hoofdstukken is dit wel erg nuttig, aangezien de slides bijna volledig beperkt zijn tot afbeeldingen en citaten waar de prof dan een verhaal bij vertelt (en dat verhaal wil hij net van jou horen op het examen).
  • 2018: De cursustekst bevat alle informatie die je nodig hebt voor het examen.
  • 2019: Soms staan er in de powerpoints puntjes die niet in de cursustekst voorkomen. Het kan misschien nuttig zijn om deze eens te bekijken bij het studeren.

Studiebelasting (aantal studiepunten in verhouding met bestede tijd)

  • 2018: Gemakkelijk

Plaats binnen de opleiding (nodige voorkennis, overlap met andere vakken, relevantie van het vak,...)

  • 2018: Opvulling! Wel interessant.

Manier van lesgeven bij hoorcolleges (snelheid, verstaanbaarheid, structuur, nut, ...)

  • 2018: Boeiend en aanbevolen, maar niet noodzakelijk door de goede cursustekst

Evaluatie oefenzittingen/labo's (nut, begeleiding, ...)

  • 404 oefenzittingen_geschiedenis.html was not found on this server

Examen (mate waarin het een weerspiegeling is van de cursus, examenvorm, ...)

  • Het examen is mondeling met schriftelijke voorbereiding. Het examen gaat meestal door in een leslokaal (maar dit kan uiteraard veranderen). In het academiejaar 2015-2016 was dit alleszins zo. De prof nam dan ook het examen achteraan het lokaal af, hij fluisterde wel maar je kon/mocht zo luid praten als je wil. Hij zei wel nooit of je antwoord juist/fout was, maar hij stelde wel bijvragen zoals 'wat bedoel je daar mee?'. Probeer een samenhangend verhaaltje op te bouwen, gebruik termen uit de les/slides/cursustekst en dan zal dit hoogstwaarschijnlijk één van de makkelijkste examens uit je bachelor zijn :-)


Examenvragen

vrijdag 21 juni 2019 (namiddag)

  1. Wat is het 'Duitse model' en hoe werden de natuurwetenschappen geïntroduceerd aan de universiteiten?
  2. Hoe werd het beeld van Galilei als hervormer verspreid?
  3. Verklaar de opkomst van de wetenschap in Amerika na de eerste wereldoorlog.

vrijdag 21 juni 2019 (voormiddag)

  1. Welke subculturen hebben de moderne wetenschappen ingeleid.
  2. Hoe werd de statistiek gebruikt voor de vorming van een natiestaat?
  3. Geef het de fasen van Basal + 1 punt van kritiek erop geven

maandag 11 juni 2018 (namiddag)

  1. Wat was de invloed van Galileo Galilei op de natuurwetenschap? Leg uit.
  2. In de 18e eeuw werd de natuurwetenschap gezien als 'nuttige' wetenschap. Op welke verschillende manieren was deze wetenschap 'nuttig'?
  3. Wat is het verschil tussen Darwinisme en de leer van Darwin?

maandag 11 juni 2018 (voormiddag)

  1. Galilei en Descartes kwamen voort uit de wiskundige subcultuur. Welke subculturen van wetenschap waren er nog in de zestiende eeuw? Op welk vlak verschilden ze onderling?
  2. Leg uit hoe er in Frankrijk aan het einde van de achttiende eeuw een scheiding ontstond tussen populaire en officiële wetenschap (eigenlijk een synthese van heel het hoofdstuk)
  3. Hoe werd de statistiek gebruikt voor de vorming van een natiestaat?

woensdag 28 juni 2017 (voormiddag)

  1. In de vroegmoderne wetenschap (16e-17e eeuw) was er sprake van een visuele cultuur. Wat bedoelen we hiermee?
  2. Tijdens de 18e eeuw ontstond zich een 'nuttige' wetenschap. Wat betekent dit?
  3. Wat was de invloed van de Franse revolutie op de ontwikkeling van de natuurwetenschap?

dinsdag 27 juni 2017 (voormiddag)

  1. Leg de verschillen uit tussen de volgende subculturen: humanisme, hermetisme en de wiskundige.
  2. Aan het einde van de 18de eeuw vond er een breuk plaats tussen "academische" wetenschap en populaire wetenschap. Leg uit.
  3. De theorie van Darwin werd vooral bekend gemaakt door Haeckel. Waarin verschillen Haeckel en Darwin zoal?

maandag 19 juni 2017 (voormiddag)

  1. Waarom was er in de 16de eeuw zo weinig aandacht aan Copernicus zijn heliocentrisme?
  2. Wat zijn de verschillen tussen Franse en Engelse Newtonianisme?
  3. Wat voor veranderingen bracht het Duitse model aan de natuurwetenschappen?

maandag 13 juni 2016 (voormiddag)

  1. Waarom werd het Cartesianisme bestempeld als gevaarlijk, en het Newtonianisme van iets later als veilig en progressief?
  2. Redenen waarom de Franse wetenschap in de 19e Eeuw 'elitair' genoemd kan worden
  3. Darwin werd in zijn tijd bekeken vanuit de destijds heersende overtuigingen. (= Invloed sociaal Darwinisme) Voorbeelden + leg uit.

vrijdag 16 juni 2014 (voormiddag)

  1. Natuurfilosofie van Newton + invloed voor moderne wetenschap.
  2. Bespreek de opkomst van de statistiek.
  3. Twee culturen C.P. Snow + invloed na WOII.

vrijdag 14 juni 2014 (voormiddag)

  1. Leg harmaniemodel tussen wetenschap en geloof uit. Geef een voorbeeld. Welke kritiek kan je hierop geven?
  2. In de 19de eeuw onderging wetenschap een professionalisering. Leg uit. Verschil met wetenschap in de vroegmoderne tijd?
  3. Na WOII nam het vertrouwen in de wetenschap af. Leg uit.

vrijdag 6 juni 2014 (voormiddag)

  1. Geef de historische context hoe in de 17e eeuw wiskunde het model van de nieuwe natuurwetenschap is geworden.
  2. Leg de term 'sociaal darwinisme' uit en geef een voorbeeld.
  3. Leg uit hoe kolonisatie tot de internationale uitbreiding van de wetenschap heeft geleid.

woensdag 26 juni 2013 (namiddag)

  1. Wat is de gemengde wiskunde? Bespreek het effect van deze wiskunde op de wetenschappelijke revolutie.
  2. Duid het belang van statistiek voor de overheden van de 19de eeuw.
  3. Leg het verband uit tussen kolonisatie en wetenschap in de periferie.

woensdag 20 juni 2012 (namiddag)

  1. Wiskunde als kennismodel werd heel belangrijk. Leg uit hoe de wiskunde zo'n dominante positie heeft kunnen verwerven.
  2. De huidige relatie tussen staat en wetenschap is heel complex en wordt beschreven als een coproductie. Leg uit en geef hier enkele voorbeelden van.
  3. Sedert de jaren 60 is de druk op de wetenschap door het publiek enorm gestegen. Leg uit waarom er net dan zo'n versnelling in druktoename was.

maandag 11 juni 2012 (voormiddag)

  1. De wetenschappelijk revolutie stelt dat het gaat van Copernicus -> Galilei -> Newton. Vertel meer over welke evoluties zo over het hoofd gezien worden.
  2. Wetenschap en geloof stonden stonden zowel in harmonie als in conflict met elkaar. Geef voorbeelden en argumenten voor beide. Is dit nu nog zo?
  3. De 2 culturen: leg uit en is het waar dat dit iets is typisch voor de eeuw?

vrijdag 17 juni 2011 (voormiddag)

  1. Wat betekent "hypotheses non fingo" bij Newton? Bespreek het belang hiervan in het kader van de wetenschappelijke revolutie.
  2. Linnaeus en Buffon vertegenwoordigden twee verschillende typen van wetenschappers in de Verlichting. Leg uit.
  3. Hoe komt het dat Mendels onderzoek bijna volledig werd genegeerd bij zijn publicatie in 1865, terwijl zijn theorie rond 1900 plots door verschillende wetenschappers tegelijk werd herontdekt?

woensdag 16 juni 2010 (namiddag)

  1. Voor de wetenschappelijke revolute werden experimenten niet gezien als basis voor wetenschappelijke kennis. Welke argumenten werden hiervoor gegeven? Welke tegemoetkomingen deed men later?
  2. Opkomst van de botanica: waarom was de theorie van Linnaeus zo populair? Welke kritiek werd er op deze theorie gegeven?
  3. Geen enkele voorbeelden hoe nationalistische argumenten de standpunten van wetenschappers kon beïnvloeden. Hoe probeerde Einstein een brug te maken tussen de wetenschappers?

donderdag 25 juni 2009 (voormiddag)

  1. In de 18e eeuw werd de natuurwetenschap sterk beïnvloed door de fysico-theologie. Geef hiervan één voorbeeld. Wat dit een positieve of negatieve invloed?
  2. In de 19e eeuw stond de 'professionalisering' van de wetenschap centraal. Wat verstaat men hieronder? Geef een voorbeeld.
  3. In de 20e eeuw stond de neutraliteit van de wetenschap onder zware druk. Geef enkele voorbeelden hiervan en toon aan hoe die spanningen zichtbaar waren in Einstein's werk en leven.

maandag 8 juni 2009 (namiddag)

  1. Copernicus heeft grote invloed gehad tijdens de Wetenschappelijke Revolutie. Leg uit.
  2. Tijdens de Verlichting (18de eeuw) lagen geloof en wetenschap heel dicht bij elkaar. Leg uit en geef hier een voorbeeld van.
  3. Darwin en zijn evolutietheorie zorgden voor een ommekeer. Leg uit.

vrijdag 20 juni 2008 (voormiddag)

  1. De wetenschappen in de 17de eeuw werden gekarakteriseerd door de "mechanisering van de wetenschappen". Descartes en Newton hebben daar op een verschillende manier aan bijgedragen. Leg uit waarin beide vormen verschillen.
  2. De theorie van Darwin lokte sterke reactie uit zowel binnen als buiten de wetenschappen. Geef en bespreek enkele voorbeelden.
  3. De nieuwe natuurkunde (relativiteitstheorie, kwantummechanica, kernfysica) van de 20ste eeuw speelden een rol in de internationalisering van de wetenschappen. Vooral Einstein was een personificatie van het verlangen naar wetenschappelijk intellectueel leiderschap van de wereld. leg uit aan de hand van enkele voorbeelden.

maandag 16 juni 2008 (voormiddag)

  1. Buffon en Linnaeus probeerden beide planten en dieren te classificeren. Waarin verschilde hun aanpak en kader het geheel in de tijdsgeest van de Verlichting.
  2. Chemisten en fysici geloofden eerst niet in het bestaan van atomen. Geef voor beide een voorbeeld waarom ze het niet geloofden.
  3. Toon aan dat Darwin en Mendel buitenbeentjes waren van de moderne biologie.

Voorbeeld examenvragen van Toledo

  1. Wat is het verschil tussen een intellectuele en een externalistische wetenschapsgeschiedenis? En hoe onderscheiden deze benaderingen zich van het sociaal constructivisme?
  2. De Wetenschappelijke Revolutie is een veelgebruikte term in de wetenschapsgeschiedenis om een bepaalde periode aan te duiden. Toch is niet iedereen het eens over de inhoud van die term. Geef aan welke kritiek men aanvoert op het klassiek gebruik van de Wetenschappelijke Revolutie, en illustreer je antwoord met het voorbeeld van Copernicus.
  3. In de aanloop van de zestiende eeuw kwam de traditionele wetenschappelijke kennis onder druk te staan. Welke factoren hebben bijgedragen tot die situatie? Hoe veranderde het concept ‘wetenschappelijke autoriteit’?
  4. De scholastieke wetenschap van de Middeleeuwen stond wantrouwig tegenover kennis voortgebracht door eigen waarnemingen. Welke bronnen van kennis vond zij wel betrouwbaar en waarom werd het experiment slechts met grote voorzichtigheid aanvaard?
  5. In het ontstaan van de moderne wetenschap werd vooral de wiskunde als model genomen. Grote voorbeelden zijn Gerard Mercator en Simon Stevin. Hoe is die voorkeur voor wiskunde te verklaren en wat betekende dit concreet voor de natuurwetenschap?
  6. Galileo Galilei en Francis Bacon worden beschouwd als belangrijke woordvoerders van de moderne wetenschap. Toch was hun aanpak heel verschillend. Leg uit.
  7. De mechanistische natuurfilosofie van Descartes betekende de grote doorbraak van de nieuwe wetenschap. Leg uit waaruit die natuurfilosofie, en waarom die zo’n grote impact had. Wat was de plaats van het experiment in de Cartesiaanse fysica?
  8. Wat was de maatschappelijke positie van de nieuwe natuurwetenschap in de zeventiende eeuw in het licht van grote politieke en religieuze spanningen?
  9. Hoe heeft Isaac Newton de moderne natuurwetenschap afgebakend? Welk verband heeft deze afbakening met de maatschappelijke veranderingen in de Westerse samenleving?
  10. Waaruit bestaat de conflictthese in de relatie tussen geloof en wetenschap? Geef enkele voorbeelden en toon aan dat van een essentieel en blijvend conflict in de Westerse wetenschapsgeschiedenis niet echt sprake is.
  11. De twee belangrijkste conflictmomenten tussen wetenschap en geloof waren de veroordeling van de Galilei (1633) en het debat over het darwinisme. Geef in beide gevallen aan waaruit het conflict bestond en hoe die conflicten toch niet model kunnen staan voor een blijvend conflict.
  12. In de zeventiende en achttiende eeuw werden wetenschap en geloof in perfecte harmonie beschouwd. Geef enkele voorbeelden. Hoe verhoudt zich de harmonie tussen geloof en wetenschap tot de secularisering van de samenleving?
  13. De evolutieleer bood argumenten voor een wereldbeeld waarin mens en dier op één lijn werden geplaatst. Hoe beïnvloedde dit wereldbeeld de maatschappelijke discussies omtrent het statuut van mensen? Is er een directe band aan te wijzen tussen wetenschappelijke theorieën en maatschappelijke interpretaties?
  14. Darwin baseerde zijn evolutietheorie op het werk van enkele voorgangers, in het bijzonder Charles Lyell, Adolphe Quetelet en Thomas Malthus. Geef aan welke elementen hij uit hun werk overnam.
  15. Wat is het ‘sociaal darwinisme’?
  16. In het darwinisme is wetenschap moeilijk te onderscheiden van het publieke debat over maatschappelijke thema’s. Geef enkele voorbeelden.
  17. Welke belangrijke veranderingen kun je aanduiden in de wetenschapsbeoefening van de negentiende eeuw? Welke rol heeft de moderne staat in dit proces gespeeld?
  18. Leg uit hoe de statistiek bijdroeg tot het ontstaan van de moderne natie-gedachte. Is dit een voorbeeld van de zogenaamde ‘co-productie’ van staat en wetenschap?
  19. Beschrijf hoe het laboratorium een centrale plaats verwierf in de academische wetenschap.
  20. Wat is de historische betekenis van het ‘Duitse model’ van wetenschapsbeoefening?
  21. Hoe droegen wetenschappelijke laboratoria bij tot de vorming van de moderne staat?
  22. Wat verstaat men onder het lineair model van innovatie? Hoe is dit model in de geschiedenis toe te passen? Welke kritiek heeft men op dit model?
  23. Hoe onderscheidde wetenschap zich van ambacht en techniek en hoe ging aan het begin van de twintigste eeuw dit onderscheid verloren?
  24. Na de Tweede Wereldoorlog was er een groot enthousiasme voor wetenschap, maar ook een stijgende bezorgdheid over de toepassingen ervan. Geef van elke houding enkele voorbeelden.
  25. In de milieubeweging van de jaren ’60 komt een nieuwe visie op wetenschap aan bod. Leg uit.
  26. Wat bedoelde C.P. Snow met de Twee Culturen? Is technocratie (= bestuur door experts) een mogelijke oplossing voor dit probleem?
  27. De Wetenschappelijke Revolutie van de zeventiende eeuw kan worden gekarakteriseerd als een "mechanisering van de wetenschap". Zowel Descartes als Newton hebben bijgedragen tot deze mechanisering, maar op een zeer verschillende wijze. Leg uit waarin deze beide vormen van mechanisering van elkaar verschilden.
  28. Waarom werden experimenten zo lang niet gebruikt in de natuurwetenschap?
  29. Wiskunde en experiment vormen een belangrijk onderdeel van de nieuwe natuurwetenschap die in de zeventiende eeuw gestalte kreeg. Geef aan met enkele voorbeelden hoe deze nieuwe elementen geïntroduceerd werden in de wetenschappelijke methode.
  30. Met uitzondering van de veroordeling van Galilei, vond de nieuwe natuurwetenschap van de zeventiende eeuw juist een sterke bondgenoot in het religieuze wereldbeeld. In het bijzonder de Newtoniaanse fysica laat zien hoe geloof en wetenschap dicht bij elkaar aansloten. Leg uit.
  31. Linnaeus en Buffon ondernamen elk een poging om de gehele levende natuur te beschrijven. Toch gingen zij heel andere wegen op. Vergelijk hun aanpak en situeer hun werk in het bredere kader van de Verlichting.
  32. Welke verschillen kan je aangeven tussen de atoomtheorie van Dalton en deze van Berzelius?
  33. Tijdens de negentiende eeuw hadden zowel fysici als chemici grote twijfels over het bestaan van atomen en zelfs het nut van een atoomtheorie. Geef voor elk van beide groepen tenminste één voorbeeld van de weerstand tegen de atoomhypothese.
  34. Darwin en Mendel kunnen worden beschouwd als buitenstaanders van de moderne biologie. Leg uit.
  35. De theorie van Darwin riep sterke reacties op binnen en buiten de wetenschappelijke wereld. Geef en bespreek van beide enkele voorbeelden.
  36. Op welke manier droeg het darwinisme bij tot het formuleren van eugenetische opvattingen?
  37. De wetten van Mendel werden pas dertig na hun bekendmaking door de wetenschappelijke wereld herontdekt. Dat was niet toevallig, maar had te maken met een gewijzigde oriëntatie van het wetenschappelijk onderzoek. Leg uit.
  38. De nieuwe natuurkunde (relativiteitstheorie, kwantummechanica, kernfysica) van de twintigste eeuw speelde een rol in de internationalisering van de wetenschap. In het bijzonder Einstein kan als personificatie beschouwd worden van het verlangen van wetenschappers om het intellectuele leiderschap van de wereld op zich te nemen. Leg uit aan de hand van enkele voorbeelden.