Lessen voor de 21ste eeuw: verschil tussen versies

Ga naar: navigatie, zoeken
(fVAxHfjNT)
k (Wijzigingen door 194.8.75.251 (Overleg) hersteld tot de laatste versie door Vincent)
Regel 1: Regel 1:
J2sB2a <a href="http://swtmgslkfnaw.com/">swtmgslkfnaw</a>, [url=http://chcaooyymykx.com/]chcaooyymykx[/url], [link=http://cexrbzbabunf.com/]cexrbzbabunf[/link], http://utelykmavlgw.com/
+
Lessen voor de 21ste eeuw de vragen van 2006-2007:
 +
 
 +
Momenteel zijn we met een 8-tal 2li-/2lw-ers die regelmatig naar de lessen gaan (hallo Johan, Merel, Domi, Dean en Stijn!). Daarom is het een goed idee om alle vragen (en de antwoorden) hier te verzamelen en te beantwoorden. Moest je willen meehelpen, eigen jezelf dan een paar vragen toe.
 +
 
 +
Vragen: todo
 +
 
 +
==Programma 2006-2007 (dertiende editie)==
 +
===20.11.2006 Christoffel Waelkens Planeten bij andere sterren: de pluraliteit der werelden===
 +
'''1) Beschrijf de wetenschappelijke context van de controverse of Pluto het al dan niet verdient als 'planeet' geclassificeerd te worden.
 +
* ons zonnestelsel:
 +
** Eerst vier binnenste 'aardse' planeten (vast, klein, weinig H en He).  (Mercurius, Venus, Aarde, Mars)
 +
** Vervolgens vier 'reuzenplaneten' (gasvormig, groot, meer H en He).  (Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus)
 +
** Daartussen en daarna is er telkens een gordel met kleine objecten. Gerard Kuiper (1951) stelde voor dat er een grote gordel van ijsblokken zou bestaan, in een baan buiten die van Pluto.
 +
* Van die buitenste gordel (de Kuipergordel) is Pluto één van de grote objecten. 
 +
* Het was wel historisch het eerste dergelijke object dat ontdekt werd, doordat men zijn baan kon berekenen uit de invloed op de baan van een grote planeet (nl Neptunus).  Hierdoor is het bij zijn ontdekking binnengehaald als negende planeet (hoewel zijn massa te klein was om de baanwijzigingen van Neptunus te verklaren; het bleken uiteindelijk afrondingsfouten), maar nu men de laatste tijd meer vergelijkbare objecten ontdekt heeft, heeft het die status weer verloren.  Recent is zelfs duidelijk geworden dat Pluto niet het grootste is van die objecten.
 +
* Hij wordt nu beschouwd als een lid van de ijsdwergen (http://www.urania.be/sterrenkunde/zonnestelsel/ijsdwergen.php#kuipergordel). Charon is zijn maan, is bijna even groot als Pluto en draait zeer dicht. Men spreekt daarom soms van een dubbel'planeet'.
 +
 
 +
'''2) Bespreek hoe ons beeld over andere planetenstelsels mede wordt bepaald door selectie-effecten verbonden met de mogelijkheden tot waarnemen.
 +
* de detectietechnieken voor extrasolaire planeten werken beter voor een bepaald type van planeten, en daardoor vindt men er zo meer (hot jupiters via de dopplermethode, http://www.space.com/scienceastronomy/050509_exoplanet_review.html)
 +
* De meest succesvolle techniek om extrasolaire planeten te detecteren tot nu toe, bestaat er bijvoorbeeld in om te zoeken naar een ster die lijkt te roteren rond een massacentrum dat dicht bij de ster gelegen is.  Dit wijst op de invloed van een planeet met een dichte baan rond de ster. Deze techniek werkt echter beter voor grote sterren met dichte banen, omdat dan de invloed het grootst is, en het is niet verwonderlijk dat men zo vooral dergelijke (reuzen-)planeten vindt.
 +
* het waarnemen van kleine, Aarde-achtige planeten is moeilijker en vereist andere technieken en meer gevoelige apparatuur en we weten dus eigenlijk nog niet goed in welke mate dergelijke planeten voorkomen buiten ons zonnestelsel.
 +
* Mogelijke technieken: Nulling interferometrie (http://www.kennislink.nl/web/show?id=93465), Astrometing, dopplermethode,..
 +
 
 +
'''3) In welke mate kunnen we uitspraken doen over hoe gewoon een planetenstelsel als het onze is ?
 +
* Bij de zoektocht naar extrasolaire planetenstelsels wordt een groter dan verwachte diversiteit aan configuraties van planetenstelsels gevonden.  Het proces van de vorming van planetenstelsels dat sterrenkundigen redelijk goed dachten te begrijpen blijkt veel complexer te zijn dan verwacht.
 +
* Nieuwe hypotheses over processen die te pas komen bij de vorming van planetenstelsels, zoals inwaartse en uitwaartse migratie van planeten laten veel mogelijke uitkomsten toe.  Er is dan ook nog veel nood aan onderzoek van ontstaansscenario's van planetenstelsels door modellering om meer te kunnen zeggen over de waarschijnlijkheid van verschillende uitkomsten van dit proces.
 +
* Een systeem zoals het onze, met een planeet zoals de Aarde, van de juiste grootte en op de juiste afstand van een ster, is voorlopig nog niet gevonden.
 +
* UPDATE Op woensdag 25 april 2007 is er een 'aardse planeet gevonden'. Sterrenkundigen hebben voor het eerst buiten ons zonnestelsel een planeet ontdekt waar leven mogelijk lijkt. De planeet, 581 c, heeft een daarvoor geschikte omvang en er heersen temperaturen met een gemiddelde waarde tussen de 0 en 40 graden Celsius. Volgens de gangbare theorie is er waarschijnlijk een atmosfeer en water in vloeibare vorm. (http://www.space.com/scienceastronomy/070424_hab_exoplanet.html)
 +
 
 +
===27.11.2006 Pierre Jacobs Biodiesel===
 +
'''1) Leg het verschil uit tussen groene en rode kooldioxide (ref: boek p. 45 onderaan, 46 bovenaan)
 +
* Bij het proces van fotosynthese nemen planten koolstofdioxyde op uit de atmosfeer.  De anorganische koolstof wordt omgezet in organische koolstof in het plantenweefsel, en de zuurstof wordt weer vrijgegeven.  Wanneer later deze biomassa verbrandt wordt, wordt de organische koolstof uit het plantenweefsel terug omgezet in anorganische koolstofdioxyde, en komt de bij de fotosynthese opgenomen energie terug vrij.  Netto is er bij dit proces geen koolstofdioxyde bijgekomen in de atmosfeer, en heeft de plant, samen met het verbrandingsproces, dus gefungeerd als een soort zonnecel.  De koolstofdioxyde die vrijkomt bij de verbranding van biomassa, wordt 'groene' koolstofdioxyde genoemd, omdat hij kan gerecycleerd worden via fotosynthese en dus geen netto-bijdrage levert aan de koolstofdioxyde in de atmosfeer en aan het broeikaseffect.
 +
 
 +
* Anderzijds komt bij de verbranding van fossiele brandstoffen wel 'extra' koolstofdioxyde in de atmosfeer, die niet eerder (op korte termijn) eruit is opgenomen.  Het gebruik van deze fossiele brandstoffen verhoogt dus netto het gehalte koolstofdioxyde in de atmosfeer, en versterkt het broeikaseffect.  Deze koolstofdioxyde wordt daarom 'rode' koolstofdioxyde genoemd.
 +
 
 +
'''2) Vergelijk het verschil in eigenschappen tussen petrodiesel en biodiesel
 +
 
 +
* Petrodiesel is een mengsel van moleculen met verschillende vries- en kooktemperaturen, afgeleid van petroleum (crude oil, fossiele brandstof zoals aardgas en leisteenolie): C_xH_y. (rode brandstof). Deze wordt vaak nog gemengd met andere stoffen om bepaalde eigenschappen te verbeteren (motorperformantie, smering, schuimonderdrukkers, ...) Zou bijdragen aan de opwarming van de aarde door CO uitstoot.
 +
 
 +
* Biodiesel is een zuiver brandende alternatieve brandstof die geproduceerd wordt uit hernieuwbare grondstoffen (biomassa: koolzaadbloemen, sojabonen, zonnebloempitten, sojaolie, maisolie, ..). Deze is biodegradeerbaar, niet-toxisch en bijna vrij van zwavel en aromaten. (groene brandstof) Deze diesel heeft minder additieven nodig (bevat van nature een smerende werking, reiniging van injectoren en corrosie inhibitoren). Huidige landbouwtechnieken kunnen nog niet genoeg biomassa produceren om hele economie van energie te kunnen voorzien. Biodiesel is een eerste generatie biofuel (samen met bioethanol): hiermee duidt men de biobrandstoffen aan die een lagere CO2-emisiereductie (%) hebben: maximaal 50%. (zie http://www.gave.novem.nl/figuur025/biofuel.jpg). Wanneer men een CO2-emissiereductie van 90% wil halen, worden de biobrandstoffen via Fischer-Tropsch (FT) en cellulosefermetatie bekomen; deze technieken zijn nog volop in ontwikkeling.
 +
 
 +
* De term diesel verwijst generisch naar elke brandstof geschikt voor een compression ignition engine (common rail injectiesysteem). De dieselmotoren moeten niet aangepast worden om op biodiesel te kunnen draaien.
 +
 
 +
* Biodiesel kan in verschillende verhoudingen met petrodiesel vermengd worden in vergelijking met de voorraad petrodiesel). B20 verwijst naar een mengsel met 20% biodiesel: hierbij dalen de vervuilende bestandsdelen reeds significant (CO, Roetpartikels, ozon smog, aromaten, sulfaten, ...). Enkel de NOX emissie (zure regen) stijgt, maar dit is met extra eliminatie technologien op te lossen. Biodiesel is ook veiliger te stockeren dan petrodiesel (hoger flashpunt).
 +
 
 +
* Energie-inhoud. kWh/l: het verschil in energie petrodiesel - biodiesel: 8.65. Petrodiesel - B20: 1.73.
 +
 
 +
* Problemen bij productie en voorraad. Fossiele brandstoffen slinken terwijl huidige energiebehoefte toeneemt. Maar er zijn ook heel wat tegenwerpingen op het overschakelen op biodiesel: verwijs naar fuel, feed, forest probleem en de tegenwerpingen daarbij.
 +
'''3) Wat zijn de problemen met petrodiesel en biodiesel als brandstof bij vriestemperaturen (ref: boek p. 54-55)
 +
* Veel soorten biodiesel hebben een relatief hoog smeltpunt.  Ze kunnen bij temperaturen rond bijvoorbeeld -5°C al onbruikbaar worden in normale motoren. 
 +
* Bij petrodiesel bestaat dit probleem ook, maar petrodieselsoorten voor gebruik bij lage temperaturen worden vooraf gedeparafineerd: parafines met hoog stolpunt worden verwijderd uit het mengsel zodat het stolpunt van de resterende brandstof wordt verlaagd.
 +
* Voor sommige courante soorten biodiesel is het probleem erger dan bij petrodiesel, en wordt een proces van winterisatie gebruikt als oplossing.  Dit houdt in dat men de brandstof op een lage temperatuur brengt, en componenten die vast worden bij die temperatuur laat uitzakken.  Zo houdt men een mengsel over dat beter bruikbaar is bij lage temperaturen.
 +
 
 +
===04.12.2006 Patricia Bijttebier De ontwikkeling van psychische problemen. Kwetsbaarheid en weerbaarheid===
 +
'''1) In traditionele psychiatrische classificatiesystemen wordt voor elke psychische stoornis een set van criteria geformuleerd waaraan persoon moet voldoen om de diagnose te krijgen.  Hierbij wordt doorgaans geen specificaties van leeftijd gegeven: om een bepaalde stoornis te diagnosticeren bij een zevenjarige worden dezelfde criteria gebruikt als om eenzelfde stoornis te diagnosticeren bij een zeventigjarige.  Vanuit een ontwikkelingspsychopathologisch standpunt is dit problematisch.  Leg uit.
 +
* In de ontwikkelingspsychopathologie bestudeert men het ontstaan van psychiatrische problemen waarbij men aanneemt dat deze niet uit het niets ontstaan (persoon en omgevingsfactoren).
 +
* Eén observatie die daarbij gemaakt wordt is dat veel vormen van gedrag op een bepaalde leeftijd "normatief" zijn.  Zo is het voor een kind op een bepaalde leeftijd normaal (gehechtheidstheorie van bowdly) om in zekere mate verlatingsangst te vertonen (denk aan een een baby van een jaar die in zijn wieg blijft wenen tot zijn mama komt en terug begint te wenen wanneer ze weggaat).  Op latere leeftijd is dat echter helemaal niet meer normaal.
 +
* In dit kader moeten de criteria voor psychische stoornissen ook rekening houden met de leeftijd van de patiënt.  Bepaalde vormen van gedrag zijn op een bepaalde leeftijd perfect normaal, maar op andere leeftijden indicaties van bepaalde psychische stoornissen.
 +
 
 +
'''2) Het feit dat risicofactoren elkaar versterken onderstreept de zinvolheid en het belang van preventie- en hulpverleningsprojecten.  Verduidelijk.
 +
* Uit psychopathologisch onderzoek blijkt dat het tegelijk voorkomen van meerdere risicofactoren het risico op het ontstaan van psychische problemen sterk verhoogt.  Het hebben van 1 risicofactor geeft even weinig kans op ontwikkeling van problemen als het hebben van geen risicofactor (1/7 (hollandse) kinderen heeft te maken echtscheiding (A)). De risicofactoren versterken elkaar (ref. studie bij adoptiekinderen).
 +
* Wanneer men dan echter via preventie en hulpverlening bij groepen jongeren één of meer risicofactoren kan wegnemen of afzwakken, kan dit het risico op psychische problemen significant laten dalen.
 +
* Bv. psychopaten zo snel mogelijk herkennen; indien men de risicofactoren in kaart kan brengen om deze probleemgroep te determineren, kan men veel vroeger beginnen met therapie (bijbrengen van inlevingsvermogen, lange termijndoelen, aflezen van emoties, ...). Deze therapien lijken te falen wanneer het individu ouder wordt: ze leren alleen meer 'trukjes' om normaal over te komen.
 +
 
 +
'''3) Stel u het volgende voor.  Er gebeurt een gewelddadige overval op een bankkantoor terwijl er drie klanten aanwezig zijn.  De klanten worden een tijdlang gegijzeld en raken pas na een periode van doodsangst uit hun benarde situatie verlost.  Na afloop reageren de drie erg verschillend op wat ze meegemaakt hebben: de eerste heeft het gebeurde snel verwerkt en kan vrijwel meteen het gewone leven weer opnemen; de tweede heeft wat meer moeite, heeft een week ziekteverlof nodig maar herpakt zich daarna vrij goed; de derde is de eerste dagen in een shock en heeft nog wekenlang last van concentratieproblemen, nachtmerries en flashbacks wat aanleiding geeft tot de diagnose posttraumatische stress-stoornis.  Wat zijn volgens u mogelijke verklaringen voor het feit dat drie mensen die identiek dezelfde traumatische gebeurtenis meemaakten zo verschillend reageren ?
 +
* Dit is een illustratie van een fenomeen dat men observeert in de psychopathologie, namelijk dat van de "multifinaliteit".  Hiermee bedoelt men dat psychische problemen op verschillende manieren het gevolg zijn van complexe, dynamische interacties tussen allerhande factoren.  Eenzelfde risicofactor kan bij verschillende personen radicaal andere gevolgen teweegbrengen.  Men stelt dat op elk moment de weerbaarheid van een individu tegen psychische problemen bepaald wordt door de balans van ongunstige risicofactoren en positieve, beschermende invloeden.
 +
 
 +
* Extra bronnen : (A) http://amsterdam.nl/aspx/download.aspx?file=/contents/pages/22002/rapportinventgroep.pdf.
 +
 
 +
===11.12.2006 Stefaan Cuypers: Morele verantwoordelijkheid in de analytische wijsbegeerte===
 +
 
 +
'''1) Wat is de belangrijkste objectie tegen de zwakke, epistemische voorwaarde voor morele verantwoordelijkheid en welke repliek kan de subjectieve visie erop geven ?'''
 +
*Belangrijkste objectie: wat te doen met personen die niet denken dat ze iets verkeerds gedaan hebben, terwijl ze dat feitelijk wel doen? Wat te doen met degenen die eronder uit proberen te muizen door te beweren dat ze zich van geen kwaad bewust waren?
 +
 
 +
*repliek: De relevante, morele mening moet op het moment van handelen niet bewust in de geest aanwezig zijn. Als na ondervraging of psychologisch onderzoek blijkt dat de dader zich toch realiseert dat hij meent dat de handeling moreel verkeerd is, treft hem toch blaam.
 +
 
 +
*De zwakke, epistemische voorwaarde kan als volgt geherformuleerd worden: S is moreel verantwoordelijk voor A, alleen als
 +
S meent, eventueel dispositioneel of onbewust, dat het moreel verkeerd is voor S om A te doen.
 +
 
 +
'''2) Moet een persoon beschikken over alternatieve handelingsmogelijkheden om moreel verantwoordelijk te kunnen zijn voor haar of zijn daden?  Waarom (niet) ?'''
 +
 
 +
* Nee
 +
 
 +
* Een persoon kan vrij handelen zonder alternatieve handelingsmogelijheden te hebben (compatibilisme) / zwakke controle
 +
 
 +
* 2 modellen volgens dewelke een persoon vrij handelt (wilscontrole heeft) en toch geen (of niet per se) alternatieve handelingsmogelijkheiden heeft
 +
 
 +
:* '''Hiërarchisch model''' :
 +
 
 +
::* vermogen tot zelf-identificatie
 +
 
 +
::* geheel van verlangs waar men een hiërarchische structuur kan brengen
 +
 
 +
::* 2e orde verlangen: "(niet) verlangen naar een (niet) verlangen" is een proces van zelf-identificatie en dit maakt de wil vrij
 +
 
 +
:* '''Redenen-responsief model'''
 +
 
 +
::* vermogen tot praktisch en deliberatief redeneren
 +
 
 +
::* onvrije wil: wanneer een persoon niet ontvankelijk is voor nieuwe redenen en dus niet zijn/haar besluit wil herzien
 +
 
 +
* S is moreel verantwoordelijk voor A, alleen als: S hiërarchische of redenen-responsieve controle heeft over A.
 +
 
 +
'''3) Waarom zijn de epistemische voorwaarde en de vrijheidsvoorwaarde in de wijsgerige analyse van morele verantwoordelijkheid niet voldoende ?'''
 +
 
 +
* Dit volgt uit het probleem van de manipulatie
 +
 
 +
* Wanneer de normen, waarden, .... van een persoon gemanipuleerd worden, is deze persoon niet meer moreel verantwoordelijk voor handelingen die uit de gemanipuleerde normen, waarden, ... volgen
 +
 
 +
* S is moreel verantwoordelijk voor A, alleen als: A voortspruit uit S's '''authentiek''', '''evaluatief schema'''
 +
 
 +
:* omvat:
 +
 
 +
: 1. pro-attitudes: positieve houding tegenover bepaalde handelingen
 +
 
 +
: 2. overtuigingen over normatieve standaarden
 +
 
 +
: 3. principes van rationele deliberatie
 +
 
 +
: 4. motivatie om te handelen op basis van bovenstaande 3 puntjes
 +
 
 +
===18.12.2006 Johan Menten: Palliatieve zorg===
 +
 
 +
'''1) Beschrijf minimum 6 basisprincipes van palliatieve therapie en zorg'''
 +
 
 +
Staat duidelijk in het boek: p. 100 - 105
 +
 
 +
:1. Overgang van curatieve therapie naar palliatieve therapie/zorg
 +
:* bij onevenwicht tussen mogelijke levensverlenging en aanvaardbare levenskwaliteit
 +
 
 +
:2. Rol van de patiënt bij de indicatiestelling van de palliatieve therapie/zorg
 +
:* de patiënt is de gids van de hulpverleners
 +
 
 +
:3. Palliatieve thuiszorg en intramurale zorg
 +
:* thuiszorg moet zwaartepunt zijn
 +
 
 +
:4. Ongeneeslijk betekent niet onbehandelbaar
 +
:* klachten voorkomen of verlichten
 +
 
 +
:5. Onderscheid tussen oorzakelijke en symptomatische therapie
 +
:* oorzaak van de pijn wegnemen, niet (alleen) de pijn zelf
 +
 
 +
:6. Afwegen van nut en belasting
 +
:* nadelen van therapie mogen nooit erger zijn dan de symptomen van de ziekte, herevaluatie van de behandeling
 +
 
 +
:7. Palliatie kan een medische urgentie zijn
 +
:* soms kan een ingreep bij een palliatieve patiënt dringender zijn dan een curatieve behandeling bij een andere patiënt
 +
 
 +
:8. Stopzetten of niet meer starten van therapie
 +
:* afwegen wat de arts de patiënt reëel kan bieden
 +
 
 +
'''2) Beschrijf de organisatiestructuur van de palliatieve zorgverlening in België'''
 +
 
 +
(wat een oninteressante vraag)
 +
Men heeft sinds eind jaren 90 een landdekkende beschikbaarheid van palliatief geschoolde hulpverleners (samenwerkingserkenning interministreriele conferentie). Men probeert op die manier de palliatieve zorg deel te laten uitmaken van een normale medische dag (en dus geen specialisme). In belgie zijn er 29 palliatieve netwerken, elk voor 300 000 tot 1 miljoen inwoners. Er zijn mobiele thuiszorgequipes, support teams voor in grotere ziekenhuizen en een aantal gespecialiseerde palliatieve residentiele bedden voor terminale patienten wanneer verder thuis/ziekenhuis verzorging niet langer kan of wenselijk is.
 +
 
 +
'''3) Helpt palliatieve zorg de patiënten beter te leven of beter te sterven: leg uit'''
 +
* Deze uitspraken vloeien in elkaar over: mensen die stervende zijn willen menswaardig sterven door beter (maar misschien korter) te leven.
 +
 
 +
* Aangezien palliatieve zorg een actieve continue en totale zorg voor mensen is, in een vergevorderd stadium van hun ziekte waarbij genezing niet meer mogelijk is, probeert deze tak de patienten beter te laten sterven: zowel op fysiek, sociaal, psychologisch en spiritueel vlak.
 +
* In overleg met medici, patient en familie wordt er regelmatig besproken welke behandeling nog wel of niet meer ondernomen wordt. De nadruk verschuift van 'begeleiding door arts' naar 'patient vraagt': pijn- en symptoombestrijding (total pain concept), thuiszorg, omgaan met mislukte behandelingen.
 +
 
 +
* Men wil leven aan de dagen toevoegen ipv dagen aan het leven. Hierbij ligt de nadruk niet het leven tot het uiterste te rekken maar wél de dagen die er nog zijn zo goed mogelijk door te komen: beter te leven dus.
 +
 
 +
===12.02.2007 Wim Moesen: Sociaal kapitaal en economische welvaart===
 +
 
 +
'''1a. Hoe kan sociaal kapitaal omschreven'''
 +
*Sociaal kapitaal kan algemeen omschreven worden als ‘de hulpmiddelen die in een gemeenschap aanwezig zijn om de gezins- en sociale organisatie vorm te geven.' Deze hulpmiddelen vinden hun voedingsbodem in acties zoals gemeenschapsactiviteiten, sociale steun en participatie. Belangrijke elementen van sociaal kapitaal zijn de kwaliteit van sociale relaties, groepslidmaatschap, formele en informele netwerken, gedeelde normen, vertrouwen, wederkerigheid en inzet voor de gemeenschap.
 +
*De link met de neo-institutionele benadering is duidelijk, de kwaliteit van het sociaal kapitaal staat of valt met de kwaliteit van de instituties, waarbij institutie als breed overkoepelend begrip wordt gebruikt om te verwijzen naar ‘de spelregels van de maatschappij’, zowel formeel als informeel. Landen met een groot sociaal kapitaal zullen gekenmerkt worden door een grotere economische performantie. (referentie naar verloren portefeuille experiment)
 +
 
 +
'''1b.  en gemeten worden?'''
 +
*Vertrouwen in de kwaliteit van de overheid: de positieve impact van kwaliteitsvolle instellingen en van sociaal kapitaal kan gemeten worden  met behulp van Kaufmanns kwaliteitsmeting. Volgens deze economist van de Wereldbank is het wel degelijk mogelijk om groepen van landen te onderscheiden volgens de kwaliteiten van hun overheidswerking. Daarbij wordt gewerkt met geaggregeerde indicatoren die het voordeel hebben dat zij de informatie van verschillende bronnen combineren zodat men metingen verkrijgt die minder grote standaardfouten bevatten. Zij leveren wellicht de meest brede steekproef die haalbaar is daar zij 175 landen in hun rankings opnemen. (http://www.weforum.org/en/index.htm)
 +
Voorbeelden van indicatoren worden onderverdeeld in twee categorien: harde en softe data. Groeivoeten is een voorbeeld van het ene, favoritisme, onafh. gerechterlijke macht, corruptie, regeringsverbintenissen en vertrouwen in eerlijkheid van politici voorbeelden van softe data. (uit de les).
 +
 
 +
*Indicator algemene economische performantie volgens de 'magic diamond' en een transformatie naar een globale score: Vier prestatie-indicatoren –die ook de kwaliteit van sociaal kapitaal mee bepalen – zijn het BBP-groeicijfer, de inflatie, de werkloosheidsgraad en het overschot/tekort op de lopende rekening (normalisatie tussen 0..1 nodig). Om de vier performantie-indicatoren te aggregeren in één globale score wordt een composiet-indicator gebruikt met een ongelijke weging. Dit wil zeggen dat wanneer een land goed scoort op één bepaalde indicator, die dimensie een hoger gewicht wordt toegekend omv de aanwijsbare mercantilistische bekommernis van dat land.
 +
 
 +
 
 +
'''2. Welke problemen dient men op te lossen bij de constructie van een composiet-indicator voor performantie. Illustreer aan de hand van “economische performantie”.'''
 +
 
 +
Bij de meting van de economische performantie kan gebruikt gemaakt worden van 4 prestatie-indicatoren, die nadien geaggregeerd worden om relevante informatie weer te geven over de globale economische prestatie van een land. De samenstellende componenten van de zogenaamde ‘magic diamond’ van de OESO bijvoorbeeld zijn het BBP-groeicijfer, de inflatie, de werkloosheidsgraad en het overschot/tekort op de lopende rekening.
 +
Wanneer deze 4 indicatoren –nadat ze omgezet zijn in een getal tussen 0 en 1- geaggregeerd moeten worden tot één globale score is het belangrijk om een adequaat wegingpatroon te kiezen. Het probleem dat zich stelt –en waarvoor de composiet-indicator ingezet moet worden- is dat een gelijke weging niet correct is want dat zou betekenen dat voor elk land alle vier doelstellingen even belangrijk zijn; of maw dat er geen prioriteiten worden gesteld. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat de beleidmakers van een land een groot belang hechten aan een laag inflatiecijfer, en dit ten koste van een hoger werkloosheidspercentage.
 +
De composiet-indicator met een ongelijke weging laat bij het berekenen van de gewichten de cijfers voor zich spreken. Er wordt gebruik gemaakt van een lineair programmeringsmodel met een endogene of benevelende weging.
 +
Dat betekent dat wanneer één land relatief goed presteert in één welbepaalde macro-economische dimensie, die dimensie een hoger gewicht wordt toegekend omv de aanwijsbare mercantilistische bekommernis van dat land.
 +
 
 +
 
 +
'''3. Welke zijn de sterkten en zwakten van de economie in Vlaanderen?'''
 +
Tussen haakjes staan het vertrouwen aangegeven zoals aangetoond in een studie van 2000
 +
* De sterke punten
 +
 
 +
:* de social-profit sector: onderwijs (77.9) en gezondsheidszorg (82.6)
 +
 
 +
::* geen zuiver collectieve goederen
 +
 
 +
::* goederen zijn ondergeprijsd: behoeden voor oneigenlijk gebruik, concurrentie tussen instellingen stimuleren
 +
 
 +
:* publieke infrastructuur: havens, autowegen en spoorwegen
 +
 
 +
* De zwakke punten
 +
 
 +
:* kwaliteit van de Belgische overheidsadministratie (46.1)
 +
 
 +
::* slechts perceptie door de burger ? nee
 +
 
 +
::* objectieve metingen geven zelfde resultaat
 +
 
 +
:* Politie (55.4), parlement(39.1) en justitie(36.4)
 +
 
 +
===19.02.2007 Marie-Claire Foblets: Multiculturaliteit en recht===
 +
 
 +
'''1.Identificeer een aantal ontwikkelingen die het vandaag zo moeilijk maken om een middels recht en juridische oplossingen een zo rechtvaardig mogelijk beleid te voeren in de multiculturele samenlevingscontext.'''
 +
België is in een halve eeuw tijd, sinds Wereldoorlog II, een multiculturele samenleving geworden. Na de gruwel van die jaren hadden vele slachtoffers van geweld, zowel Belgen als mensen van buitenlandse nationaliteiten, nood aan opvang en bescherming t.g.v. vervolging of onrechtvaardigheden in hun eigen land. Migratie tussen landen steeg exponentieel, en sinds de naoorlogse periode zijn dan ook verschillende technieken gehanteerd om conflicten tussen culturen, levensbeschouwingen of religies te vermijden of op te lossen.
 +
 
 +
Mensenrechtenverdragen, arbeidsimmigratieovereenkomsten, internationale afspraken m.b.t. asiel, zijn de instrumenten van een naoorlogs voluntarisme geweest. Men heeft daarbij bepaalde latere ontwikkelingen niet of verkeerd ingeschat, maar het zou maar al te makkelijk zijn om vandaag de toenmalige onderhandelaars dit te verwijten. Bepaalde ontwikkelingen maken het bijzonder moeilijk om een beleid te voeren dat zonder uitzondering rechtvaardig is voor iedereen.
 +
 
 +
Zo is er het non-refoulementbeginsel in het vluchtelingenrecht dat in essentie inhoudt dat een kandidaat-vluchteling verzekerd is van onthaal en de daaraan in België verbonden maatschappelijke dienstverlening zolang zijn aanvraag hier in onderzoek is. Vooraleer een aanvraag is onderzocht, kunnen echter al gauw 3 tot 4 jaar verstrijken. Uiteraard brengt dit beginsel heel wat misbruiken met zich mee, en is het uitermate moeilijk om diegenen zonder enige kwaadwillige bedoeling te onderscheiden van de zogenaamde profiteurs.
 +
 
 +
Vanaf de jaren tachtig begint ook het probleem van nationaliteit en identiteitsbeleving te spelen. Lang gold in het internationaal recht het beginsel dat een persoon bij voorkeur slechts de drager van 1 nationaliteit is. Van dat beginsel is men de laatste jaren evenwel noodgedwongen geleidelijk afgestapt, waardoor men in een situatie van meervoudig burgerschap of multipatridie belandt. Dit levert situaties van dubbele loyauteit op en voor de overheid vergroot dit nogmaals de moeilijkheid om een correct beleid te voeren. Wanneer geldt namelijk welke nationaliteit in een juridisch geschil?
 +
 
 +
Als laatste doen meer en meer mensen beroep op de bescherming van de mensenrechten. Ook documentloze vreemdelingen hebben daarin recht op kosteloos basisonderwijs, kosteloze bijstand in geval van dringende medische hulp,… Ook dit roept alweer moeilijkheden op, bijvoorbeeld in het geval van iemand die in land van herkomst de doodstraf riskeert en dus niet zomaar het land uitgezet kan worden.
 +
 
 +
Kortom, door tal van ontwikkelingen in de loop der jaren, die niet of nauwelijks voorspeld konden worden, is het heden ten dage zeer moeilijk om een zo rechtvaardig mogelijk beleid te voeren in onze multiculturele samenlevingscontext.
 +
 
 +
 
 +
'''2.Wie is bevoegd inzake multiculturele samenlevingsvraagstukken? Waar wordt het beleid gevoerd?'''
 +
 
 +
In de jaren tachtig werd het Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid opgericht. Dat Commissariaat is destijds opgezet als adviesorgaan voor de federale overheid. Het zou suggesties allerhande kunnen formuleren die op korte en langere termijn het samenleven tussen de verschillende gemeenschappen in België moeten helpen vergemakkelijken. Die opdracht leverde in een eerste periode enkele stevige rapporten op, en de Commissaris (Paula D’Hondt) is geconsulteerd in uiteenlopende aangelegenheden (islamitische hoofddoeken, besnijdenissen,…).
 +
 
 +
Met de jaren is de aanpak evenwel meer in de richting van een ad hoc benadering geëvolueerd, en onder meer daarom werd het ook opgevolgd in 1993 door het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR). In 1999 werd een “Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting” bij het Centrum opgericht. Tenslotte werd het CGKR 2003 – op hetzelfde moment als de uitbreiding naar alle vormen van discriminatie - ook bevoegd om de overheden te informeren over de migratiestromen en om de rechten van vreemdelingen te behartigen.
 +
 
 +
Binnen welke wettelijke context werkt het Centrum? Er zijn de Europese richtlijnen, de oprichtingsbesluiten, en de wetten die het wetgevende kader schetsen waarbinnen het Centrum kan werken. Er is ook nog het organieke KB waarin de werkwijze van het Centrum wordt vastgelegd. Het Centrum heeft het statuut van een overheidsdienst en oefent zijn opdrachten volledig onafhankelijk uit.
 +
Het Centrum is institutioneel verbonden aan de Eerste Minister, maar valt inhoudelijk onder de bevoegdheid van de federale Minister van Maatschappelijke Integratie en Gelijke Kansen, Christian Dupont.
 +
 
 +
 
 +
'''3. Wat zijn volgens u belangrijke recente initiatieven die het beleid inzake migratie en integratie zoeken te hertekenen? Geef ook de beperkingen van die initiatieven aan. Identificeer een aantal knelpunten die daarbij onopgelost blijven.'''
 +
 
 +
- Codificatie van het Belgisch internationaal privaatrecht
 +
Om verwarrende situaties te verhelpen is in België enkele jaren geleden op initiatief van de toenmalige minister van justitie een werkgroep van experten aangesteld met de opdracht een Wetboek van internationaal Privaatrecht op te stellen, dat eenduidigheid zou brengen in deze materie.
 +
Ook in de toekomst blijft voor een aantal materies het nationaliteitsbeginsel gelden, maar in een grote meerderheid van de evallen wordt voortaan voor de toepassing van het Belgisch recht gekozen (‘principe de proximité’). Weliswaar wordt daar nu de mogelijkheid voor partijen aan toegevoegd om, voor bepaalde aangelegenheden en onder nauwgezet na te leven voorwaarden, te blijven kiezen voor toepassing van het buitenlands recht.
 +
Deze mogelijkheid is echter in zeer beperkte gevallen toegelaten en dus zou men de vraag kunnen opwerpen of de regel niet getuigt van een gebrek aan respect voor buitenlandse familierechtstelsels.
 +
 
 +
- De anti-discriminatiewet van 2003
 +
Toen begin jaren tachtig de anti-racismewet werd uitgevaardigd, was dat een niet mis te verstaan signaal. Vandaag is de wetgever echter nog een stap verder gegaan? In 2003 is namelijk de Wet ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van het CGKR goedgekeurd (de anti-discriminatiewet). Met deze wet heeft de wetgever in België enerzijds een aantal Europese richtlijnen in interne wetgeving omgezet, anderzijds heeft hij daarmee een instrument ter hand gesteld van de praktijk, dat de rechtsomgang in de samenleving tussen mensen nog beter moet doen aansluiten bij het ideaal van de gelijke behandeling. Kort samengevat kan worden gesteld dat met deze wet veruit de meeste differentiëringen in de omgang tussen mensen voortaan ontoelaatbaar worden.
 +
Een van de kritieken aan het adres van de wetgever is die dat de wettekst interpretatieperikelen laat voorspellen. Die zijn het gevolg van de ruime formuleringen enerzijds die in bepaalde artikelen wordt gebruikt en van de keuze van de wetgever anderzijds om de interpretatie omzeggens geheel in handen van d rechters te leggen, wat oor verdeeldheid in de rechtspraak doet vrezen.
 +
 
 +
- Integratie maakt in Vlaanderen plaats voor inburgering
 +
Jarenlang is van de kant van migranten harde kritiek geleverd aan het adres van het integratiebeleid, men verweet de overheid op verdoken wijze aan ‘assimilatie’ van minderheden te doen. Met het meer recente inburgeringsbeleid zoekt de overheid in Vlaanderen het accent te verleggen. De focus verschuift naar het aanbieden van basisvormingspakketten aan nieuwkomers: taallessen, cursussen maatschappelijke oriëntatie,…
 +
De problemen die hierbij rijzen zijn bijvoorbeeld de voldoende personeelsomkadering. Ook moet er een consensus zijn over de leerstof die men in een pakket ‘maatschappelijke oriëntatie’ biedt. Er moet ook eenduidig gedefinieerd worden wie de doelgroep is van zo een beleid: wie verplicht men en wie stelt men vrij?
 +
 
 +
===26.02.2007 Philip Dutré: Computer Graphics. De zoektocht naar digitaal visueel realisme===
 +
 
 +
'''1) Verklaar welke impact de Wet van Moore heeft op de informatietechnologie.'''
 +
 
 +
De Wet van Moore stelt dat het aantal transistoren op een computerchip elke 18 a 24 maanden verdubbelt. Of nog, de snelheid van computers verdubbelt elke 18 a 24 maanden, deze snelheid kent dus een exponentieel verloop. Dit heeft als gevolg dat de complexiteit van de computerprogrammas zeer snel verhoogd kan worden. Complexere programmas vragen echter ook een langere ontwikkelingstijd, dus wanneer een programma een ontwikkelingstijd nodig heeft van een 5tal jaren, dan moet dat programma ontwikkeld worden naar de hardwarenormen die binnen 5 jaar gaan gelden. Hierdoor moet een softwareontwikkelaar zeer vooruitdenkend zijn.
 +
Meer specifiek voor computer graphics, zijn er binnen een aantal jaar weer nieuwere en complexere technieken mogelijk die nu niet snel genoeg kunnen worden berekend om in real-time te gebruiken.
 +
 
 +
'''2) Wat zijn de drie belangrijke stappen die nodig zijn om een fotorealistisch beeld te genereren m.b.v. de computer?'''
 +
 
 +
Eerst moet de driedimensionale scene wiskundig beschreven worden. Dit kan bijvoorbeeld door een collectie van veelhoekmodellen (meshes) gedaan worden. Elk van de objecten die in de scene staat heeft ook een beschrijving nodig van de materiaaleigenschappen die van toepassing zijn op dat object. Deze drukken de wisselwerking met het licht uit, of het materiaal mat of glanzend is, of het translucent is of niet, ... Naast de modellering van de scene moet ook het licht en de camera in de scene geplaatst worden.
 +
 
 +
Ten tweede moet men deze scene gaan renderen. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door stochastische ray tracing. Door elke pixel gaat men een straal schieten, dewelke dan gevolgd wordt doorheen de scene. Maar per botsing met het object zijn er een oneindig aantal richtingen waarin de straal kan gevolgd worden. Daarom noemt het stochastische raytracing, men gaat uit dit oneindig aantal stralen een paar stralen kiezen. Hoe groter de steekproef van de gevolgde stralen is, hoe nauwkeuriger het resultaat is. M.b.v. een aantal optimisaties kan de grootte van deze steekproef al kleiner zijn, bijvoorbeeld door stralen naar de lichtbron te kiezen i.p.v. random stralen.
 +
 
 +
Ten laatste moet het resultaat weergegeven worden op de display. Dit is niet evident omdat het interval van lichtintensiteiten dat de display ondersteunt veel kleiner is dat het interval van lichtintensiteiten die men in het echt aanschouwt. Een gewone lineaire mapping is ook niet mogelijk omdat dan een sterk belichte scene moeilijk kan onderscheiden worden van een zwak belichte scene. Hiervoor bestaan er tone-mapping technieken die het "echte" licht op een realistische wijze gaan mappen op de lichtintensiteiten van de display.
 +
 
 +
'''3) Op welke manier kan men reele en virtuele elementen op een geloofwaardige en consistent manier in computerbeelden samenbrengen?'''
 +
 
 +
Theoretisch is dit gemakkelijk. De reele en virtuele elementen moet op dezelfde wijze belicht worden. Praktisch is dit zeer moeilijk. Om virtuele elementen in reele scenes te plaatsen moet men het licht in de reele scene opmeten en deze toepassen op de virtuele elementen. Om reele elementen in virtuele scenes te plaatsen moet men vele fotos nemen van de reele elementen om per pixel een lichtmodel op te stellen dit kan dan gebruikt worden in de herbelichting van de reele elementen in de virtuele scene.
 +
 
 +
===05.03.2007 Robert Pijnenborg: De placenta: dialoog tussen moeder en foetus===
 +
 
 +
'''1) Om welke redenen moet het vroegere concept van een continue moederlijke – foetale placentaire bloedsomloop worden verworpen?'''
 +
 
 +
 
 +
* In de achttiende eeuw voerden de broers Hunter een reeks dissecties uit op de uteri (=baarmoeders) van overleden zwangere vrouwen. Dankzij een nieuwe injectietechniek met gekleurde bijenwas brachten zij het definitieve bewijs van gescheiden bloedsomloop: als proef spoten ze deze gekleurde bijenwas in in de bloedsomloop van de moeder. Deze kleurstof werd niet teruggevonden in de navelstreng en bij een omgekeerde beweging ook niet.
 +
 
 +
* (op zich is het bovenstaande maar 1 reden...) Moeder en foetus kunnen verschillende bloedgroepen hebben?
 +
 
 +
'''2) Zijn Medawars hypothetische mechanismen, die het ontbreken van een moederlijke immuunreactie tegen de halfvreemde foetus kunnen verklaren, nog relevant in het huidige onderzoek?'''
 +
 
 +
Medawars drie mogelijke redenen zijn:
 +
a. de anatomische scheiding tussen moeder en foetus
 +
b. de antigenische (=afweeropwekkende) immaturiteit van de foetus (dwz mogelijk bevat de foetus de nodige weefselantigenen nog niet)
 +
c. de immunologische inertie van de moeder (dwz mogelijk tempert de fysiologische conditie van de zwangerschap het immunologisch reactievermogen van de moeder tegenover foetale antigenen)
 +
 
 +
In zijn eerste reden beweert hij dat de moederlijke en foetale bloedsomloop gescheiden zijn door een grens die normaal ondoordringbaar is door cellen. Hierbij is het hem ontgaan dat die grens zelf van foetale oorsprong is, waarbij hij nergens melding maakt van trofoblastcellen. Nochtans zijn het door hun anatomische positie (rond de vrucht) juist deze cellen die letterlijk in de vuurlinie staan van mogelijke immuunreacties van de moeder. De antigenische status van het trofoblast werd in detail onderzocht. Hieruit bleek dat de belangrijkste weefselantigenen (MHC klasse 1 genoemd) afwezig waren in de trofoblast van de villi. Hierdoor komen de circulerende immuuncellen van de moeder in contact met halfvreemde trofoblastcellen die immunologisch neutraal zijn, wat in de lijn ligt van Medawars 2e hypothese. Verder uitgebreid histologisch onderzoek op het placentaire bed bracht aan het licht dat het invasieve extravilleuze trofoblast wel degelijk MHC klasse 1 antigenen bezit, zij het in een ongewone combinatie. De specifieke functie van deze moleculen en hun mogelijke interactie met moederlijke immuuncellen werd onderwerp van huidig onderzoek.
 +
 
 +
De derde hypothese is nog steeds onderwerp tot huidig onderzoek. De baarmoeder blijkt een ongewone constellatie van immuuncellen te bezitten. Hierbij zijn de klassieke B- en T- lymfocyten die instaan voor de aanmaak van antistoffen en de afstoting van lichaamsvreemde cellen, slechts in zeer beperkte mate aanwezig in de decidua. Wat wel dominant aanwezig is, is een specifiek uteriene variante van de natural killer (NK) cellen. Dit feit fascineert al verschillende generaties van onderzoekers. De functies van deze cellen in de decidua, met in het bijzonder haar rol bij trofoblastinvasie, zijn onderwerp van huidig onderzoek.
 +
 
 +
 
 +
'''3) Geef enkele argumenten waarom de interactie tussen moeder en foetus eerder als een dialoog dan als een conflict dient te worden beschouwd.'''
 +
 
 +
Het kan niet ontkend worden dat elke zwangerschap een belangenconflict oproept tussen enerzijds de ‘vraag’ van de foetus naar een toenemende moederlijke voedselvoorziening, en anderzijds de noodzakelijke inperking van de investering bij de moeder om het goede verloop van de zwangerschap(pen) niet in het gedrang te brengen.
 +
Uit onderzoek blijkt dat de (moederlijk gecontroleerde) disorganisatie van de spierwand geen bescherming geeft tegen trofoblastinvasie (die zorgt voor de (voedsel)voorziening van de foetus), maar dat dit juist nodig is voor het initiëren van de invasie. Dit toont aan dat de moeder niet in conflict (met beschermingsuitrustingen) staat met de foetus, maar er in dialoog mee gaat.
 +
Verder lijkt de precieze timing van de twee golven van endovasculaire invasie over twee verschillende diepteniveau’s te wijzen op een geprogrammeerde choreografie en hebben verdere elementen aangetoond dat de decidualisatie andere invasies stimuleert en dus niet in gevecht met elkaar staan.
 +
 
 +
===12.03.2007 Norbert Vanbeselare: Integratie van 'minderheden'. Een pleidooi voor conceptuele zuiverheid===
 +
 
 +
'''1) Wat zijn de voornaamste conceptuele verwarringen in het Belgische acculturatiedebat ?'''
 +
 
 +
* De termen vreemdeling, immigrant en allochtoon worden door elkaar gebruikt
 +
 
 +
:* '''Vreemdeling''': verblijft in België maar heeft Belgische nationaliteit niet
 +
 
 +
:* '''Immigrant''': heeft zijn/haar oorspronkelijke verblijfplaats (tijdelijk of permanent) verlaten
 +
 
 +
:* '''Allochtoon''': woont in België maar voelt zich verbonden met en definieert zich als etnisch-culturele minderheidsgroep
 +
 
 +
* De eerste 2 gaan niet op voor 2e/3e generatie zogenaamde ''vreemdelingen''
 +
 
 +
(Merel) Ik ben ervan overtuigd dat het hier ook belangrijk is de verschillende assimilatiemodellen te bespreken (Hutnik, Berris, Bourhis), de resultaten van zijn onderzoek en de verschillende interpretaties van integratie volgens die drie modellen. Johan vindt dit geen conceptuele verwarring.
 +
 
 +
'''2) Het Vlaamse acculturatiedebat is sterk gepolariseerd. Welke zijn daarvan de kwalijke gevolgen en illustreer je antwoord met relevante elementen uit dit hoofdstuk'''
 +
 
 +
Bespreken van zijn onderzoek waarbij er verschillen opvielen tussen Waalse en Vlaamse jongeren en ASO vs TSO/BSO.
 +
 
 +
'''3) De discussie i.v.m. de acculturatieproblematiek is in België pas vanaf ongeveer 1980 echt op de politieke agenda verschenen. Nochtans waren er daarvoor ook reeds een aanzienlijk aantal immigranten in ons land. Hoe zou je deze verandering kunnen verklaren ?'''
 +
 
 +
* Voor +- 1974
 +
 
 +
:* men had werkkrachten nodig om bv. in de mijnen te werken
 +
 
 +
:* deze mensen gingen tijdelijk blijven
 +
 
 +
:* verlengenden arbeidsvergunning, beter voor hen, beter voor werkgevers
 +
 
 +
* vanaf +- 1974
 +
 
 +
:* werkloosheid
 +
 
 +
:* immigratiestop
 +
 
 +
:* mensen immigreerden toch nog omwille van gezinshereniging/gezinsvorming
 +
 
 +
:* in 1980: duidelijke procedure voor gezinshereniging
 +
 
 +
===19.03.2007 Jan Tytgat: Moderne drugs: oude wijn in nieuwe zakken?===
 +
 
 +
'''1) Beschrijf de klassieke groepen van psychotrope stoffen.'''
 +
 
 +
Staat duidelijk in de samenvatting: http://www.hiw.kuleuven.be/ned/lessen/programma.htm
 +
 
 +
* Inhiberende (bewustzijnsonderdrukkende, slaappillen&papaver producten)
 +
* Exciterende (bewustzijnsstimulerende, amfetamines&cocaine, cocaplant )
 +
* Hallucinogene (bewustzijnsverstorende, LSD&paddo's)
 +
 
 +
Producten met meerdere effecten:
 +
 
 +
* Inebriantia (zattigheid, alcohol&ether..) : zowel inhiberend als exciterend
 +
* Cannabis: inhiberend als hallucinogeen
 +
* XTC: Hallucinogeen als exciterend
 +
* PCP (Angel Dust, http://en.wikipedia.org/wiki/Phencyclidine): alle drie
 +
 
 +
'''2) Wat is verslaving, tolerantie en derving?'''
 +
 
 +
'''Verslaving:'''
 +
 
 +
* hard drug
 +
 
 +
* overweldigende drang om gebruik verder te zetten (psychologisch?)
 +
 
 +
* opdrijven dosis (gewenning)
 +
 
 +
* psychische en fysische afhankelijkheid (met derving)
 +
 
 +
* vb: Heroïne
 +
 
 +
'''Tolerantie:'''
 +
 
 +
* soft drug
 +
 
 +
* verlangen voor verder gebruik
 +
 
 +
* geen opdrijving dosis
 +
 
 +
* psychische afhankelijkheid
 +
 
 +
* geen derving
 +
 
 +
* vb: cannabis
 +
 
 +
'''Derving (of intoxicatie)'''
 +
 
 +
* Zeer sterk missen van iets
 +
 
 +
* Fysische oorzaak
 +
 
 +
(Merel) Ik denk niet dat tolerantie hierboven goed uitgelegd wordt (http://www.pitsstop.leidenuniv.nl/index.php3?c=143): bij sommige drugs geeft je lichaam aan dat steeds meer van het middel nodig is om hetzelfde effect te voelen. Denk niet dat dit iets te maken heeft met soft of hard drug. Ook wel gewenning genoemd.
 +
 
 +
(Johan) Ik vond het ook een vreemde uitleg, maar zie p. 233 (als tolerantie ook gewenning genoemd wordt, is dat exact wat er staat)
 +
 +
'''3) Wat is een ‘designer drug’?'''
 +
 
 +
* variatie op bestaande drug-moleculen
 +
 
 +
* om wet te ontduiken
 +
 
 +
* effect van bestaande drugs namaken
 +
 
 +
* marketingstrategie
 +
 
 +
nadelen:
 +
 
 +
* mensen weten niet wat ze eigenlijk echt gebruiken
 +
 
 +
* effect lijkt mss op een bepaalde drug, maar heeft mss bijkomende nadelige effecten
 +
 
 +
===26.03.2007 Patrick Develtere: Ontwikkelingssamenwerking: geven we goed voor het goede doel?===
 +
 
 +
Zijn hier examenvragen van ?
 +
Indien het die vragen zijn die één voor één worden uitgewerkt in de samenvatting: zie samenvatting: http://www.hiw.kuleuven.be/ned/lessen/programma.htm
 +
 
 +
[[Categorie: mw]] [[Categorie: mi]] [[Categorie: mf]]

Versie van 11 aug 2009 om 22:26

Lessen voor de 21ste eeuw de vragen van 2006-2007:

Momenteel zijn we met een 8-tal 2li-/2lw-ers die regelmatig naar de lessen gaan (hallo Johan, Merel, Domi, Dean en Stijn!). Daarom is het een goed idee om alle vragen (en de antwoorden) hier te verzamelen en te beantwoorden. Moest je willen meehelpen, eigen jezelf dan een paar vragen toe.

Vragen: todo

Programma 2006-2007 (dertiende editie)

20.11.2006 Christoffel Waelkens Planeten bij andere sterren: de pluraliteit der werelden

1) Beschrijf de wetenschappelijke context van de controverse of Pluto het al dan niet verdient als 'planeet' geclassificeerd te worden.

  • ons zonnestelsel:
    • Eerst vier binnenste 'aardse' planeten (vast, klein, weinig H en He). (Mercurius, Venus, Aarde, Mars)
    • Vervolgens vier 'reuzenplaneten' (gasvormig, groot, meer H en He). (Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus)
    • Daartussen en daarna is er telkens een gordel met kleine objecten. Gerard Kuiper (1951) stelde voor dat er een grote gordel van ijsblokken zou bestaan, in een baan buiten die van Pluto.
  • Van die buitenste gordel (de Kuipergordel) is Pluto één van de grote objecten.
  • Het was wel historisch het eerste dergelijke object dat ontdekt werd, doordat men zijn baan kon berekenen uit de invloed op de baan van een grote planeet (nl Neptunus). Hierdoor is het bij zijn ontdekking binnengehaald als negende planeet (hoewel zijn massa te klein was om de baanwijzigingen van Neptunus te verklaren; het bleken uiteindelijk afrondingsfouten), maar nu men de laatste tijd meer vergelijkbare objecten ontdekt heeft, heeft het die status weer verloren. Recent is zelfs duidelijk geworden dat Pluto niet het grootste is van die objecten.
  • Hij wordt nu beschouwd als een lid van de ijsdwergen (http://www.urania.be/sterrenkunde/zonnestelsel/ijsdwergen.php#kuipergordel). Charon is zijn maan, is bijna even groot als Pluto en draait zeer dicht. Men spreekt daarom soms van een dubbel'planeet'.

2) Bespreek hoe ons beeld over andere planetenstelsels mede wordt bepaald door selectie-effecten verbonden met de mogelijkheden tot waarnemen.

  • de detectietechnieken voor extrasolaire planeten werken beter voor een bepaald type van planeten, en daardoor vindt men er zo meer (hot jupiters via de dopplermethode, http://www.space.com/scienceastronomy/050509_exoplanet_review.html)
  • De meest succesvolle techniek om extrasolaire planeten te detecteren tot nu toe, bestaat er bijvoorbeeld in om te zoeken naar een ster die lijkt te roteren rond een massacentrum dat dicht bij de ster gelegen is. Dit wijst op de invloed van een planeet met een dichte baan rond de ster. Deze techniek werkt echter beter voor grote sterren met dichte banen, omdat dan de invloed het grootst is, en het is niet verwonderlijk dat men zo vooral dergelijke (reuzen-)planeten vindt.
  • het waarnemen van kleine, Aarde-achtige planeten is moeilijker en vereist andere technieken en meer gevoelige apparatuur en we weten dus eigenlijk nog niet goed in welke mate dergelijke planeten voorkomen buiten ons zonnestelsel.
  • Mogelijke technieken: Nulling interferometrie (http://www.kennislink.nl/web/show?id=93465), Astrometing, dopplermethode,..

3) In welke mate kunnen we uitspraken doen over hoe gewoon een planetenstelsel als het onze is ?

  • Bij de zoektocht naar extrasolaire planetenstelsels wordt een groter dan verwachte diversiteit aan configuraties van planetenstelsels gevonden. Het proces van de vorming van planetenstelsels dat sterrenkundigen redelijk goed dachten te begrijpen blijkt veel complexer te zijn dan verwacht.
  • Nieuwe hypotheses over processen die te pas komen bij de vorming van planetenstelsels, zoals inwaartse en uitwaartse migratie van planeten laten veel mogelijke uitkomsten toe. Er is dan ook nog veel nood aan onderzoek van ontstaansscenario's van planetenstelsels door modellering om meer te kunnen zeggen over de waarschijnlijkheid van verschillende uitkomsten van dit proces.
  • Een systeem zoals het onze, met een planeet zoals de Aarde, van de juiste grootte en op de juiste afstand van een ster, is voorlopig nog niet gevonden.
  • UPDATE Op woensdag 25 april 2007 is er een 'aardse planeet gevonden'. Sterrenkundigen hebben voor het eerst buiten ons zonnestelsel een planeet ontdekt waar leven mogelijk lijkt. De planeet, 581 c, heeft een daarvoor geschikte omvang en er heersen temperaturen met een gemiddelde waarde tussen de 0 en 40 graden Celsius. Volgens de gangbare theorie is er waarschijnlijk een atmosfeer en water in vloeibare vorm. (http://www.space.com/scienceastronomy/070424_hab_exoplanet.html)

27.11.2006 Pierre Jacobs Biodiesel

1) Leg het verschil uit tussen groene en rode kooldioxide (ref: boek p. 45 onderaan, 46 bovenaan)

  • Bij het proces van fotosynthese nemen planten koolstofdioxyde op uit de atmosfeer. De anorganische koolstof wordt omgezet in organische koolstof in het plantenweefsel, en de zuurstof wordt weer vrijgegeven. Wanneer later deze biomassa verbrandt wordt, wordt de organische koolstof uit het plantenweefsel terug omgezet in anorganische koolstofdioxyde, en komt de bij de fotosynthese opgenomen energie terug vrij. Netto is er bij dit proces geen koolstofdioxyde bijgekomen in de atmosfeer, en heeft de plant, samen met het verbrandingsproces, dus gefungeerd als een soort zonnecel. De koolstofdioxyde die vrijkomt bij de verbranding van biomassa, wordt 'groene' koolstofdioxyde genoemd, omdat hij kan gerecycleerd worden via fotosynthese en dus geen netto-bijdrage levert aan de koolstofdioxyde in de atmosfeer en aan het broeikaseffect.
  • Anderzijds komt bij de verbranding van fossiele brandstoffen wel 'extra' koolstofdioxyde in de atmosfeer, die niet eerder (op korte termijn) eruit is opgenomen. Het gebruik van deze fossiele brandstoffen verhoogt dus netto het gehalte koolstofdioxyde in de atmosfeer, en versterkt het broeikaseffect. Deze koolstofdioxyde wordt daarom 'rode' koolstofdioxyde genoemd.

2) Vergelijk het verschil in eigenschappen tussen petrodiesel en biodiesel

  • Petrodiesel is een mengsel van moleculen met verschillende vries- en kooktemperaturen, afgeleid van petroleum (crude oil, fossiele brandstof zoals aardgas en leisteenolie): C_xH_y. (rode brandstof). Deze wordt vaak nog gemengd met andere stoffen om bepaalde eigenschappen te verbeteren (motorperformantie, smering, schuimonderdrukkers, ...) Zou bijdragen aan de opwarming van de aarde door CO uitstoot.
  • Biodiesel is een zuiver brandende alternatieve brandstof die geproduceerd wordt uit hernieuwbare grondstoffen (biomassa: koolzaadbloemen, sojabonen, zonnebloempitten, sojaolie, maisolie, ..). Deze is biodegradeerbaar, niet-toxisch en bijna vrij van zwavel en aromaten. (groene brandstof) Deze diesel heeft minder additieven nodig (bevat van nature een smerende werking, reiniging van injectoren en corrosie inhibitoren). Huidige landbouwtechnieken kunnen nog niet genoeg biomassa produceren om hele economie van energie te kunnen voorzien. Biodiesel is een eerste generatie biofuel (samen met bioethanol): hiermee duidt men de biobrandstoffen aan die een lagere CO2-emisiereductie (%) hebben: maximaal 50%. (zie http://www.gave.novem.nl/figuur025/biofuel.jpg). Wanneer men een CO2-emissiereductie van 90% wil halen, worden de biobrandstoffen via Fischer-Tropsch (FT) en cellulosefermetatie bekomen; deze technieken zijn nog volop in ontwikkeling.
  • De term diesel verwijst generisch naar elke brandstof geschikt voor een compression ignition engine (common rail injectiesysteem). De dieselmotoren moeten niet aangepast worden om op biodiesel te kunnen draaien.
  • Biodiesel kan in verschillende verhoudingen met petrodiesel vermengd worden in vergelijking met de voorraad petrodiesel). B20 verwijst naar een mengsel met 20% biodiesel: hierbij dalen de vervuilende bestandsdelen reeds significant (CO, Roetpartikels, ozon smog, aromaten, sulfaten, ...). Enkel de NOX emissie (zure regen) stijgt, maar dit is met extra eliminatie technologien op te lossen. Biodiesel is ook veiliger te stockeren dan petrodiesel (hoger flashpunt).
  • Energie-inhoud. kWh/l: het verschil in energie petrodiesel - biodiesel: 8.65. Petrodiesel - B20: 1.73.
  • Problemen bij productie en voorraad. Fossiele brandstoffen slinken terwijl huidige energiebehoefte toeneemt. Maar er zijn ook heel wat tegenwerpingen op het overschakelen op biodiesel: verwijs naar fuel, feed, forest probleem en de tegenwerpingen daarbij.

3) Wat zijn de problemen met petrodiesel en biodiesel als brandstof bij vriestemperaturen (ref: boek p. 54-55)

  • Veel soorten biodiesel hebben een relatief hoog smeltpunt. Ze kunnen bij temperaturen rond bijvoorbeeld -5°C al onbruikbaar worden in normale motoren.
  • Bij petrodiesel bestaat dit probleem ook, maar petrodieselsoorten voor gebruik bij lage temperaturen worden vooraf gedeparafineerd: parafines met hoog stolpunt worden verwijderd uit het mengsel zodat het stolpunt van de resterende brandstof wordt verlaagd.
  • Voor sommige courante soorten biodiesel is het probleem erger dan bij petrodiesel, en wordt een proces van winterisatie gebruikt als oplossing. Dit houdt in dat men de brandstof op een lage temperatuur brengt, en componenten die vast worden bij die temperatuur laat uitzakken. Zo houdt men een mengsel over dat beter bruikbaar is bij lage temperaturen.

04.12.2006 Patricia Bijttebier De ontwikkeling van psychische problemen. Kwetsbaarheid en weerbaarheid

1) In traditionele psychiatrische classificatiesystemen wordt voor elke psychische stoornis een set van criteria geformuleerd waaraan persoon moet voldoen om de diagnose te krijgen. Hierbij wordt doorgaans geen specificaties van leeftijd gegeven: om een bepaalde stoornis te diagnosticeren bij een zevenjarige worden dezelfde criteria gebruikt als om eenzelfde stoornis te diagnosticeren bij een zeventigjarige. Vanuit een ontwikkelingspsychopathologisch standpunt is dit problematisch. Leg uit.

  • In de ontwikkelingspsychopathologie bestudeert men het ontstaan van psychiatrische problemen waarbij men aanneemt dat deze niet uit het niets ontstaan (persoon en omgevingsfactoren).
  • Eén observatie die daarbij gemaakt wordt is dat veel vormen van gedrag op een bepaalde leeftijd "normatief" zijn. Zo is het voor een kind op een bepaalde leeftijd normaal (gehechtheidstheorie van bowdly) om in zekere mate verlatingsangst te vertonen (denk aan een een baby van een jaar die in zijn wieg blijft wenen tot zijn mama komt en terug begint te wenen wanneer ze weggaat). Op latere leeftijd is dat echter helemaal niet meer normaal.
  • In dit kader moeten de criteria voor psychische stoornissen ook rekening houden met de leeftijd van de patiënt. Bepaalde vormen van gedrag zijn op een bepaalde leeftijd perfect normaal, maar op andere leeftijden indicaties van bepaalde psychische stoornissen.

2) Het feit dat risicofactoren elkaar versterken onderstreept de zinvolheid en het belang van preventie- en hulpverleningsprojecten. Verduidelijk.

  • Uit psychopathologisch onderzoek blijkt dat het tegelijk voorkomen van meerdere risicofactoren het risico op het ontstaan van psychische problemen sterk verhoogt. Het hebben van 1 risicofactor geeft even weinig kans op ontwikkeling van problemen als het hebben van geen risicofactor (1/7 (hollandse) kinderen heeft te maken echtscheiding (A)). De risicofactoren versterken elkaar (ref. studie bij adoptiekinderen).
  • Wanneer men dan echter via preventie en hulpverlening bij groepen jongeren één of meer risicofactoren kan wegnemen of afzwakken, kan dit het risico op psychische problemen significant laten dalen.
  • Bv. psychopaten zo snel mogelijk herkennen; indien men de risicofactoren in kaart kan brengen om deze probleemgroep te determineren, kan men veel vroeger beginnen met therapie (bijbrengen van inlevingsvermogen, lange termijndoelen, aflezen van emoties, ...). Deze therapien lijken te falen wanneer het individu ouder wordt: ze leren alleen meer 'trukjes' om normaal over te komen.

3) Stel u het volgende voor. Er gebeurt een gewelddadige overval op een bankkantoor terwijl er drie klanten aanwezig zijn. De klanten worden een tijdlang gegijzeld en raken pas na een periode van doodsangst uit hun benarde situatie verlost. Na afloop reageren de drie erg verschillend op wat ze meegemaakt hebben: de eerste heeft het gebeurde snel verwerkt en kan vrijwel meteen het gewone leven weer opnemen; de tweede heeft wat meer moeite, heeft een week ziekteverlof nodig maar herpakt zich daarna vrij goed; de derde is de eerste dagen in een shock en heeft nog wekenlang last van concentratieproblemen, nachtmerries en flashbacks wat aanleiding geeft tot de diagnose posttraumatische stress-stoornis. Wat zijn volgens u mogelijke verklaringen voor het feit dat drie mensen die identiek dezelfde traumatische gebeurtenis meemaakten zo verschillend reageren ?

  • Dit is een illustratie van een fenomeen dat men observeert in de psychopathologie, namelijk dat van de "multifinaliteit". Hiermee bedoelt men dat psychische problemen op verschillende manieren het gevolg zijn van complexe, dynamische interacties tussen allerhande factoren. Eenzelfde risicofactor kan bij verschillende personen radicaal andere gevolgen teweegbrengen. Men stelt dat op elk moment de weerbaarheid van een individu tegen psychische problemen bepaald wordt door de balans van ongunstige risicofactoren en positieve, beschermende invloeden.

11.12.2006 Stefaan Cuypers: Morele verantwoordelijkheid in de analytische wijsbegeerte

1) Wat is de belangrijkste objectie tegen de zwakke, epistemische voorwaarde voor morele verantwoordelijkheid en welke repliek kan de subjectieve visie erop geven ?

  • Belangrijkste objectie: wat te doen met personen die niet denken dat ze iets verkeerds gedaan hebben, terwijl ze dat feitelijk wel doen? Wat te doen met degenen die eronder uit proberen te muizen door te beweren dat ze zich van geen kwaad bewust waren?
  • repliek: De relevante, morele mening moet op het moment van handelen niet bewust in de geest aanwezig zijn. Als na ondervraging of psychologisch onderzoek blijkt dat de dader zich toch realiseert dat hij meent dat de handeling moreel verkeerd is, treft hem toch blaam.
  • De zwakke, epistemische voorwaarde kan als volgt geherformuleerd worden: S is moreel verantwoordelijk voor A, alleen als

S meent, eventueel dispositioneel of onbewust, dat het moreel verkeerd is voor S om A te doen.

2) Moet een persoon beschikken over alternatieve handelingsmogelijkheden om moreel verantwoordelijk te kunnen zijn voor haar of zijn daden? Waarom (niet) ?

  • Nee
  • Een persoon kan vrij handelen zonder alternatieve handelingsmogelijheden te hebben (compatibilisme) / zwakke controle
  • 2 modellen volgens dewelke een persoon vrij handelt (wilscontrole heeft) en toch geen (of niet per se) alternatieve handelingsmogelijkheiden heeft
  • Hiërarchisch model :
  • vermogen tot zelf-identificatie
  • geheel van verlangs waar men een hiërarchische structuur kan brengen
  • 2e orde verlangen: "(niet) verlangen naar een (niet) verlangen" is een proces van zelf-identificatie en dit maakt de wil vrij
  • Redenen-responsief model
  • vermogen tot praktisch en deliberatief redeneren
  • onvrije wil: wanneer een persoon niet ontvankelijk is voor nieuwe redenen en dus niet zijn/haar besluit wil herzien
  • S is moreel verantwoordelijk voor A, alleen als: S hiërarchische of redenen-responsieve controle heeft over A.

3) Waarom zijn de epistemische voorwaarde en de vrijheidsvoorwaarde in de wijsgerige analyse van morele verantwoordelijkheid niet voldoende ?

  • Dit volgt uit het probleem van de manipulatie
  • Wanneer de normen, waarden, .... van een persoon gemanipuleerd worden, is deze persoon niet meer moreel verantwoordelijk voor handelingen die uit de gemanipuleerde normen, waarden, ... volgen
  • S is moreel verantwoordelijk voor A, alleen als: A voortspruit uit S's authentiek, evaluatief schema
  • omvat:
1. pro-attitudes: positieve houding tegenover bepaalde handelingen
2. overtuigingen over normatieve standaarden
3. principes van rationele deliberatie
4. motivatie om te handelen op basis van bovenstaande 3 puntjes

18.12.2006 Johan Menten: Palliatieve zorg

1) Beschrijf minimum 6 basisprincipes van palliatieve therapie en zorg

Staat duidelijk in het boek: p. 100 - 105

1. Overgang van curatieve therapie naar palliatieve therapie/zorg
  • bij onevenwicht tussen mogelijke levensverlenging en aanvaardbare levenskwaliteit
2. Rol van de patiënt bij de indicatiestelling van de palliatieve therapie/zorg
  • de patiënt is de gids van de hulpverleners
3. Palliatieve thuiszorg en intramurale zorg
  • thuiszorg moet zwaartepunt zijn
4. Ongeneeslijk betekent niet onbehandelbaar
  • klachten voorkomen of verlichten
5. Onderscheid tussen oorzakelijke en symptomatische therapie
  • oorzaak van de pijn wegnemen, niet (alleen) de pijn zelf
6. Afwegen van nut en belasting
  • nadelen van therapie mogen nooit erger zijn dan de symptomen van de ziekte, herevaluatie van de behandeling
7. Palliatie kan een medische urgentie zijn
  • soms kan een ingreep bij een palliatieve patiënt dringender zijn dan een curatieve behandeling bij een andere patiënt
8. Stopzetten of niet meer starten van therapie
  • afwegen wat de arts de patiënt reëel kan bieden

2) Beschrijf de organisatiestructuur van de palliatieve zorgverlening in België

(wat een oninteressante vraag) Men heeft sinds eind jaren 90 een landdekkende beschikbaarheid van palliatief geschoolde hulpverleners (samenwerkingserkenning interministreriele conferentie). Men probeert op die manier de palliatieve zorg deel te laten uitmaken van een normale medische dag (en dus geen specialisme). In belgie zijn er 29 palliatieve netwerken, elk voor 300 000 tot 1 miljoen inwoners. Er zijn mobiele thuiszorgequipes, support teams voor in grotere ziekenhuizen en een aantal gespecialiseerde palliatieve residentiele bedden voor terminale patienten wanneer verder thuis/ziekenhuis verzorging niet langer kan of wenselijk is.

3) Helpt palliatieve zorg de patiënten beter te leven of beter te sterven: leg uit

  • Deze uitspraken vloeien in elkaar over: mensen die stervende zijn willen menswaardig sterven door beter (maar misschien korter) te leven.
  • Aangezien palliatieve zorg een actieve continue en totale zorg voor mensen is, in een vergevorderd stadium van hun ziekte waarbij genezing niet meer mogelijk is, probeert deze tak de patienten beter te laten sterven: zowel op fysiek, sociaal, psychologisch en spiritueel vlak.
  • In overleg met medici, patient en familie wordt er regelmatig besproken welke behandeling nog wel of niet meer ondernomen wordt. De nadruk verschuift van 'begeleiding door arts' naar 'patient vraagt': pijn- en symptoombestrijding (total pain concept), thuiszorg, omgaan met mislukte behandelingen.
  • Men wil leven aan de dagen toevoegen ipv dagen aan het leven. Hierbij ligt de nadruk niet het leven tot het uiterste te rekken maar wél de dagen die er nog zijn zo goed mogelijk door te komen: beter te leven dus.

12.02.2007 Wim Moesen: Sociaal kapitaal en economische welvaart

1a. Hoe kan sociaal kapitaal omschreven

  • Sociaal kapitaal kan algemeen omschreven worden als ‘de hulpmiddelen die in een gemeenschap aanwezig zijn om de gezins- en sociale organisatie vorm te geven.' Deze hulpmiddelen vinden hun voedingsbodem in acties zoals gemeenschapsactiviteiten, sociale steun en participatie. Belangrijke elementen van sociaal kapitaal zijn de kwaliteit van sociale relaties, groepslidmaatschap, formele en informele netwerken, gedeelde normen, vertrouwen, wederkerigheid en inzet voor de gemeenschap.
  • De link met de neo-institutionele benadering is duidelijk, de kwaliteit van het sociaal kapitaal staat of valt met de kwaliteit van de instituties, waarbij institutie als breed overkoepelend begrip wordt gebruikt om te verwijzen naar ‘de spelregels van de maatschappij’, zowel formeel als informeel. Landen met een groot sociaal kapitaal zullen gekenmerkt worden door een grotere economische performantie. (referentie naar verloren portefeuille experiment)

1b. en gemeten worden?

  • Vertrouwen in de kwaliteit van de overheid: de positieve impact van kwaliteitsvolle instellingen en van sociaal kapitaal kan gemeten worden met behulp van Kaufmanns kwaliteitsmeting. Volgens deze economist van de Wereldbank is het wel degelijk mogelijk om groepen van landen te onderscheiden volgens de kwaliteiten van hun overheidswerking. Daarbij wordt gewerkt met geaggregeerde indicatoren die het voordeel hebben dat zij de informatie van verschillende bronnen combineren zodat men metingen verkrijgt die minder grote standaardfouten bevatten. Zij leveren wellicht de meest brede steekproef die haalbaar is daar zij 175 landen in hun rankings opnemen. (http://www.weforum.org/en/index.htm)

Voorbeelden van indicatoren worden onderverdeeld in twee categorien: harde en softe data. Groeivoeten is een voorbeeld van het ene, favoritisme, onafh. gerechterlijke macht, corruptie, regeringsverbintenissen en vertrouwen in eerlijkheid van politici voorbeelden van softe data. (uit de les).

  • Indicator algemene economische performantie volgens de 'magic diamond' en een transformatie naar een globale score: Vier prestatie-indicatoren –die ook de kwaliteit van sociaal kapitaal mee bepalen – zijn het BBP-groeicijfer, de inflatie, de werkloosheidsgraad en het overschot/tekort op de lopende rekening (normalisatie tussen 0..1 nodig). Om de vier performantie-indicatoren te aggregeren in één globale score wordt een composiet-indicator gebruikt met een ongelijke weging. Dit wil zeggen dat wanneer een land goed scoort op één bepaalde indicator, die dimensie een hoger gewicht wordt toegekend omv de aanwijsbare mercantilistische bekommernis van dat land.


2. Welke problemen dient men op te lossen bij de constructie van een composiet-indicator voor performantie. Illustreer aan de hand van “economische performantie”.

Bij de meting van de economische performantie kan gebruikt gemaakt worden van 4 prestatie-indicatoren, die nadien geaggregeerd worden om relevante informatie weer te geven over de globale economische prestatie van een land. De samenstellende componenten van de zogenaamde ‘magic diamond’ van de OESO bijvoorbeeld zijn het BBP-groeicijfer, de inflatie, de werkloosheidsgraad en het overschot/tekort op de lopende rekening. Wanneer deze 4 indicatoren –nadat ze omgezet zijn in een getal tussen 0 en 1- geaggregeerd moeten worden tot één globale score is het belangrijk om een adequaat wegingpatroon te kiezen. Het probleem dat zich stelt –en waarvoor de composiet-indicator ingezet moet worden- is dat een gelijke weging niet correct is want dat zou betekenen dat voor elk land alle vier doelstellingen even belangrijk zijn; of maw dat er geen prioriteiten worden gesteld. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat de beleidmakers van een land een groot belang hechten aan een laag inflatiecijfer, en dit ten koste van een hoger werkloosheidspercentage. De composiet-indicator met een ongelijke weging laat bij het berekenen van de gewichten de cijfers voor zich spreken. Er wordt gebruik gemaakt van een lineair programmeringsmodel met een endogene of benevelende weging. Dat betekent dat wanneer één land relatief goed presteert in één welbepaalde macro-economische dimensie, die dimensie een hoger gewicht wordt toegekend omv de aanwijsbare mercantilistische bekommernis van dat land.


3. Welke zijn de sterkten en zwakten van de economie in Vlaanderen? Tussen haakjes staan het vertrouwen aangegeven zoals aangetoond in een studie van 2000

  • De sterke punten
  • de social-profit sector: onderwijs (77.9) en gezondsheidszorg (82.6)
  • geen zuiver collectieve goederen
  • goederen zijn ondergeprijsd: behoeden voor oneigenlijk gebruik, concurrentie tussen instellingen stimuleren
  • publieke infrastructuur: havens, autowegen en spoorwegen
  • De zwakke punten
  • kwaliteit van de Belgische overheidsadministratie (46.1)
  • slechts perceptie door de burger ? nee
  • objectieve metingen geven zelfde resultaat
  • Politie (55.4), parlement(39.1) en justitie(36.4)

19.02.2007 Marie-Claire Foblets: Multiculturaliteit en recht

1.Identificeer een aantal ontwikkelingen die het vandaag zo moeilijk maken om een middels recht en juridische oplossingen een zo rechtvaardig mogelijk beleid te voeren in de multiculturele samenlevingscontext. België is in een halve eeuw tijd, sinds Wereldoorlog II, een multiculturele samenleving geworden. Na de gruwel van die jaren hadden vele slachtoffers van geweld, zowel Belgen als mensen van buitenlandse nationaliteiten, nood aan opvang en bescherming t.g.v. vervolging of onrechtvaardigheden in hun eigen land. Migratie tussen landen steeg exponentieel, en sinds de naoorlogse periode zijn dan ook verschillende technieken gehanteerd om conflicten tussen culturen, levensbeschouwingen of religies te vermijden of op te lossen.

Mensenrechtenverdragen, arbeidsimmigratieovereenkomsten, internationale afspraken m.b.t. asiel, zijn de instrumenten van een naoorlogs voluntarisme geweest. Men heeft daarbij bepaalde latere ontwikkelingen niet of verkeerd ingeschat, maar het zou maar al te makkelijk zijn om vandaag de toenmalige onderhandelaars dit te verwijten. Bepaalde ontwikkelingen maken het bijzonder moeilijk om een beleid te voeren dat zonder uitzondering rechtvaardig is voor iedereen.

Zo is er het non-refoulementbeginsel in het vluchtelingenrecht dat in essentie inhoudt dat een kandidaat-vluchteling verzekerd is van onthaal en de daaraan in België verbonden maatschappelijke dienstverlening zolang zijn aanvraag hier in onderzoek is. Vooraleer een aanvraag is onderzocht, kunnen echter al gauw 3 tot 4 jaar verstrijken. Uiteraard brengt dit beginsel heel wat misbruiken met zich mee, en is het uitermate moeilijk om diegenen zonder enige kwaadwillige bedoeling te onderscheiden van de zogenaamde profiteurs.

Vanaf de jaren tachtig begint ook het probleem van nationaliteit en identiteitsbeleving te spelen. Lang gold in het internationaal recht het beginsel dat een persoon bij voorkeur slechts de drager van 1 nationaliteit is. Van dat beginsel is men de laatste jaren evenwel noodgedwongen geleidelijk afgestapt, waardoor men in een situatie van meervoudig burgerschap of multipatridie belandt. Dit levert situaties van dubbele loyauteit op en voor de overheid vergroot dit nogmaals de moeilijkheid om een correct beleid te voeren. Wanneer geldt namelijk welke nationaliteit in een juridisch geschil?

Als laatste doen meer en meer mensen beroep op de bescherming van de mensenrechten. Ook documentloze vreemdelingen hebben daarin recht op kosteloos basisonderwijs, kosteloze bijstand in geval van dringende medische hulp,… Ook dit roept alweer moeilijkheden op, bijvoorbeeld in het geval van iemand die in land van herkomst de doodstraf riskeert en dus niet zomaar het land uitgezet kan worden.

Kortom, door tal van ontwikkelingen in de loop der jaren, die niet of nauwelijks voorspeld konden worden, is het heden ten dage zeer moeilijk om een zo rechtvaardig mogelijk beleid te voeren in onze multiculturele samenlevingscontext.


2.Wie is bevoegd inzake multiculturele samenlevingsvraagstukken? Waar wordt het beleid gevoerd?

In de jaren tachtig werd het Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid opgericht. Dat Commissariaat is destijds opgezet als adviesorgaan voor de federale overheid. Het zou suggesties allerhande kunnen formuleren die op korte en langere termijn het samenleven tussen de verschillende gemeenschappen in België moeten helpen vergemakkelijken. Die opdracht leverde in een eerste periode enkele stevige rapporten op, en de Commissaris (Paula D’Hondt) is geconsulteerd in uiteenlopende aangelegenheden (islamitische hoofddoeken, besnijdenissen,…).

Met de jaren is de aanpak evenwel meer in de richting van een ad hoc benadering geëvolueerd, en onder meer daarom werd het ook opgevolgd in 1993 door het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR). In 1999 werd een “Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting” bij het Centrum opgericht. Tenslotte werd het CGKR 2003 – op hetzelfde moment als de uitbreiding naar alle vormen van discriminatie - ook bevoegd om de overheden te informeren over de migratiestromen en om de rechten van vreemdelingen te behartigen.

Binnen welke wettelijke context werkt het Centrum? Er zijn de Europese richtlijnen, de oprichtingsbesluiten, en de wetten die het wetgevende kader schetsen waarbinnen het Centrum kan werken. Er is ook nog het organieke KB waarin de werkwijze van het Centrum wordt vastgelegd. Het Centrum heeft het statuut van een overheidsdienst en oefent zijn opdrachten volledig onafhankelijk uit. Het Centrum is institutioneel verbonden aan de Eerste Minister, maar valt inhoudelijk onder de bevoegdheid van de federale Minister van Maatschappelijke Integratie en Gelijke Kansen, Christian Dupont.


3. Wat zijn volgens u belangrijke recente initiatieven die het beleid inzake migratie en integratie zoeken te hertekenen? Geef ook de beperkingen van die initiatieven aan. Identificeer een aantal knelpunten die daarbij onopgelost blijven.

- Codificatie van het Belgisch internationaal privaatrecht Om verwarrende situaties te verhelpen is in België enkele jaren geleden op initiatief van de toenmalige minister van justitie een werkgroep van experten aangesteld met de opdracht een Wetboek van internationaal Privaatrecht op te stellen, dat eenduidigheid zou brengen in deze materie. Ook in de toekomst blijft voor een aantal materies het nationaliteitsbeginsel gelden, maar in een grote meerderheid van de evallen wordt voortaan voor de toepassing van het Belgisch recht gekozen (‘principe de proximité’). Weliswaar wordt daar nu de mogelijkheid voor partijen aan toegevoegd om, voor bepaalde aangelegenheden en onder nauwgezet na te leven voorwaarden, te blijven kiezen voor toepassing van het buitenlands recht. Deze mogelijkheid is echter in zeer beperkte gevallen toegelaten en dus zou men de vraag kunnen opwerpen of de regel niet getuigt van een gebrek aan respect voor buitenlandse familierechtstelsels.

- De anti-discriminatiewet van 2003 Toen begin jaren tachtig de anti-racismewet werd uitgevaardigd, was dat een niet mis te verstaan signaal. Vandaag is de wetgever echter nog een stap verder gegaan? In 2003 is namelijk de Wet ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van het CGKR goedgekeurd (de anti-discriminatiewet). Met deze wet heeft de wetgever in België enerzijds een aantal Europese richtlijnen in interne wetgeving omgezet, anderzijds heeft hij daarmee een instrument ter hand gesteld van de praktijk, dat de rechtsomgang in de samenleving tussen mensen nog beter moet doen aansluiten bij het ideaal van de gelijke behandeling. Kort samengevat kan worden gesteld dat met deze wet veruit de meeste differentiëringen in de omgang tussen mensen voortaan ontoelaatbaar worden. Een van de kritieken aan het adres van de wetgever is die dat de wettekst interpretatieperikelen laat voorspellen. Die zijn het gevolg van de ruime formuleringen enerzijds die in bepaalde artikelen wordt gebruikt en van de keuze van de wetgever anderzijds om de interpretatie omzeggens geheel in handen van d rechters te leggen, wat oor verdeeldheid in de rechtspraak doet vrezen.

- Integratie maakt in Vlaanderen plaats voor inburgering Jarenlang is van de kant van migranten harde kritiek geleverd aan het adres van het integratiebeleid, men verweet de overheid op verdoken wijze aan ‘assimilatie’ van minderheden te doen. Met het meer recente inburgeringsbeleid zoekt de overheid in Vlaanderen het accent te verleggen. De focus verschuift naar het aanbieden van basisvormingspakketten aan nieuwkomers: taallessen, cursussen maatschappelijke oriëntatie,… De problemen die hierbij rijzen zijn bijvoorbeeld de voldoende personeelsomkadering. Ook moet er een consensus zijn over de leerstof die men in een pakket ‘maatschappelijke oriëntatie’ biedt. Er moet ook eenduidig gedefinieerd worden wie de doelgroep is van zo een beleid: wie verplicht men en wie stelt men vrij?

26.02.2007 Philip Dutré: Computer Graphics. De zoektocht naar digitaal visueel realisme

1) Verklaar welke impact de Wet van Moore heeft op de informatietechnologie.

De Wet van Moore stelt dat het aantal transistoren op een computerchip elke 18 a 24 maanden verdubbelt. Of nog, de snelheid van computers verdubbelt elke 18 a 24 maanden, deze snelheid kent dus een exponentieel verloop. Dit heeft als gevolg dat de complexiteit van de computerprogrammas zeer snel verhoogd kan worden. Complexere programmas vragen echter ook een langere ontwikkelingstijd, dus wanneer een programma een ontwikkelingstijd nodig heeft van een 5tal jaren, dan moet dat programma ontwikkeld worden naar de hardwarenormen die binnen 5 jaar gaan gelden. Hierdoor moet een softwareontwikkelaar zeer vooruitdenkend zijn. Meer specifiek voor computer graphics, zijn er binnen een aantal jaar weer nieuwere en complexere technieken mogelijk die nu niet snel genoeg kunnen worden berekend om in real-time te gebruiken.

2) Wat zijn de drie belangrijke stappen die nodig zijn om een fotorealistisch beeld te genereren m.b.v. de computer?

Eerst moet de driedimensionale scene wiskundig beschreven worden. Dit kan bijvoorbeeld door een collectie van veelhoekmodellen (meshes) gedaan worden. Elk van de objecten die in de scene staat heeft ook een beschrijving nodig van de materiaaleigenschappen die van toepassing zijn op dat object. Deze drukken de wisselwerking met het licht uit, of het materiaal mat of glanzend is, of het translucent is of niet, ... Naast de modellering van de scene moet ook het licht en de camera in de scene geplaatst worden.

Ten tweede moet men deze scene gaan renderen. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door stochastische ray tracing. Door elke pixel gaat men een straal schieten, dewelke dan gevolgd wordt doorheen de scene. Maar per botsing met het object zijn er een oneindig aantal richtingen waarin de straal kan gevolgd worden. Daarom noemt het stochastische raytracing, men gaat uit dit oneindig aantal stralen een paar stralen kiezen. Hoe groter de steekproef van de gevolgde stralen is, hoe nauwkeuriger het resultaat is. M.b.v. een aantal optimisaties kan de grootte van deze steekproef al kleiner zijn, bijvoorbeeld door stralen naar de lichtbron te kiezen i.p.v. random stralen.

Ten laatste moet het resultaat weergegeven worden op de display. Dit is niet evident omdat het interval van lichtintensiteiten dat de display ondersteunt veel kleiner is dat het interval van lichtintensiteiten die men in het echt aanschouwt. Een gewone lineaire mapping is ook niet mogelijk omdat dan een sterk belichte scene moeilijk kan onderscheiden worden van een zwak belichte scene. Hiervoor bestaan er tone-mapping technieken die het "echte" licht op een realistische wijze gaan mappen op de lichtintensiteiten van de display.

3) Op welke manier kan men reele en virtuele elementen op een geloofwaardige en consistent manier in computerbeelden samenbrengen?

Theoretisch is dit gemakkelijk. De reele en virtuele elementen moet op dezelfde wijze belicht worden. Praktisch is dit zeer moeilijk. Om virtuele elementen in reele scenes te plaatsen moet men het licht in de reele scene opmeten en deze toepassen op de virtuele elementen. Om reele elementen in virtuele scenes te plaatsen moet men vele fotos nemen van de reele elementen om per pixel een lichtmodel op te stellen dit kan dan gebruikt worden in de herbelichting van de reele elementen in de virtuele scene.

05.03.2007 Robert Pijnenborg: De placenta: dialoog tussen moeder en foetus

1) Om welke redenen moet het vroegere concept van een continue moederlijke – foetale placentaire bloedsomloop worden verworpen?


  • In de achttiende eeuw voerden de broers Hunter een reeks dissecties uit op de uteri (=baarmoeders) van overleden zwangere vrouwen. Dankzij een nieuwe injectietechniek met gekleurde bijenwas brachten zij het definitieve bewijs van gescheiden bloedsomloop: als proef spoten ze deze gekleurde bijenwas in in de bloedsomloop van de moeder. Deze kleurstof werd niet teruggevonden in de navelstreng en bij een omgekeerde beweging ook niet.
  • (op zich is het bovenstaande maar 1 reden...) Moeder en foetus kunnen verschillende bloedgroepen hebben?

2) Zijn Medawars hypothetische mechanismen, die het ontbreken van een moederlijke immuunreactie tegen de halfvreemde foetus kunnen verklaren, nog relevant in het huidige onderzoek?

Medawars drie mogelijke redenen zijn: a. de anatomische scheiding tussen moeder en foetus b. de antigenische (=afweeropwekkende) immaturiteit van de foetus (dwz mogelijk bevat de foetus de nodige weefselantigenen nog niet) c. de immunologische inertie van de moeder (dwz mogelijk tempert de fysiologische conditie van de zwangerschap het immunologisch reactievermogen van de moeder tegenover foetale antigenen)

In zijn eerste reden beweert hij dat de moederlijke en foetale bloedsomloop gescheiden zijn door een grens die normaal ondoordringbaar is door cellen. Hierbij is het hem ontgaan dat die grens zelf van foetale oorsprong is, waarbij hij nergens melding maakt van trofoblastcellen. Nochtans zijn het door hun anatomische positie (rond de vrucht) juist deze cellen die letterlijk in de vuurlinie staan van mogelijke immuunreacties van de moeder. De antigenische status van het trofoblast werd in detail onderzocht. Hieruit bleek dat de belangrijkste weefselantigenen (MHC klasse 1 genoemd) afwezig waren in de trofoblast van de villi. Hierdoor komen de circulerende immuuncellen van de moeder in contact met halfvreemde trofoblastcellen die immunologisch neutraal zijn, wat in de lijn ligt van Medawars 2e hypothese. Verder uitgebreid histologisch onderzoek op het placentaire bed bracht aan het licht dat het invasieve extravilleuze trofoblast wel degelijk MHC klasse 1 antigenen bezit, zij het in een ongewone combinatie. De specifieke functie van deze moleculen en hun mogelijke interactie met moederlijke immuuncellen werd onderwerp van huidig onderzoek.

De derde hypothese is nog steeds onderwerp tot huidig onderzoek. De baarmoeder blijkt een ongewone constellatie van immuuncellen te bezitten. Hierbij zijn de klassieke B- en T- lymfocyten die instaan voor de aanmaak van antistoffen en de afstoting van lichaamsvreemde cellen, slechts in zeer beperkte mate aanwezig in de decidua. Wat wel dominant aanwezig is, is een specifiek uteriene variante van de natural killer (NK) cellen. Dit feit fascineert al verschillende generaties van onderzoekers. De functies van deze cellen in de decidua, met in het bijzonder haar rol bij trofoblastinvasie, zijn onderwerp van huidig onderzoek.


3) Geef enkele argumenten waarom de interactie tussen moeder en foetus eerder als een dialoog dan als een conflict dient te worden beschouwd.

Het kan niet ontkend worden dat elke zwangerschap een belangenconflict oproept tussen enerzijds de ‘vraag’ van de foetus naar een toenemende moederlijke voedselvoorziening, en anderzijds de noodzakelijke inperking van de investering bij de moeder om het goede verloop van de zwangerschap(pen) niet in het gedrang te brengen. Uit onderzoek blijkt dat de (moederlijk gecontroleerde) disorganisatie van de spierwand geen bescherming geeft tegen trofoblastinvasie (die zorgt voor de (voedsel)voorziening van de foetus), maar dat dit juist nodig is voor het initiëren van de invasie. Dit toont aan dat de moeder niet in conflict (met beschermingsuitrustingen) staat met de foetus, maar er in dialoog mee gaat. Verder lijkt de precieze timing van de twee golven van endovasculaire invasie over twee verschillende diepteniveau’s te wijzen op een geprogrammeerde choreografie en hebben verdere elementen aangetoond dat de decidualisatie andere invasies stimuleert en dus niet in gevecht met elkaar staan.

12.03.2007 Norbert Vanbeselare: Integratie van 'minderheden'. Een pleidooi voor conceptuele zuiverheid

1) Wat zijn de voornaamste conceptuele verwarringen in het Belgische acculturatiedebat ?

  • De termen vreemdeling, immigrant en allochtoon worden door elkaar gebruikt
  • Vreemdeling: verblijft in België maar heeft Belgische nationaliteit niet
  • Immigrant: heeft zijn/haar oorspronkelijke verblijfplaats (tijdelijk of permanent) verlaten
  • Allochtoon: woont in België maar voelt zich verbonden met en definieert zich als etnisch-culturele minderheidsgroep
  • De eerste 2 gaan niet op voor 2e/3e generatie zogenaamde vreemdelingen

(Merel) Ik ben ervan overtuigd dat het hier ook belangrijk is de verschillende assimilatiemodellen te bespreken (Hutnik, Berris, Bourhis), de resultaten van zijn onderzoek en de verschillende interpretaties van integratie volgens die drie modellen. Johan vindt dit geen conceptuele verwarring.

2) Het Vlaamse acculturatiedebat is sterk gepolariseerd. Welke zijn daarvan de kwalijke gevolgen en illustreer je antwoord met relevante elementen uit dit hoofdstuk

Bespreken van zijn onderzoek waarbij er verschillen opvielen tussen Waalse en Vlaamse jongeren en ASO vs TSO/BSO.

3) De discussie i.v.m. de acculturatieproblematiek is in België pas vanaf ongeveer 1980 echt op de politieke agenda verschenen. Nochtans waren er daarvoor ook reeds een aanzienlijk aantal immigranten in ons land. Hoe zou je deze verandering kunnen verklaren ?

  • Voor +- 1974
  • men had werkkrachten nodig om bv. in de mijnen te werken
  • deze mensen gingen tijdelijk blijven
  • verlengenden arbeidsvergunning, beter voor hen, beter voor werkgevers
  • vanaf +- 1974
  • werkloosheid
  • immigratiestop
  • mensen immigreerden toch nog omwille van gezinshereniging/gezinsvorming
  • in 1980: duidelijke procedure voor gezinshereniging

19.03.2007 Jan Tytgat: Moderne drugs: oude wijn in nieuwe zakken?

1) Beschrijf de klassieke groepen van psychotrope stoffen.

Staat duidelijk in de samenvatting: http://www.hiw.kuleuven.be/ned/lessen/programma.htm

  • Inhiberende (bewustzijnsonderdrukkende, slaappillen&papaver producten)
  • Exciterende (bewustzijnsstimulerende, amfetamines&cocaine, cocaplant )
  • Hallucinogene (bewustzijnsverstorende, LSD&paddo's)

Producten met meerdere effecten:

  • Inebriantia (zattigheid, alcohol&ether..) : zowel inhiberend als exciterend
  • Cannabis: inhiberend als hallucinogeen
  • XTC: Hallucinogeen als exciterend
  • PCP (Angel Dust, http://en.wikipedia.org/wiki/Phencyclidine): alle drie

2) Wat is verslaving, tolerantie en derving?

Verslaving:

  • hard drug
  • overweldigende drang om gebruik verder te zetten (psychologisch?)
  • opdrijven dosis (gewenning)
  • psychische en fysische afhankelijkheid (met derving)
  • vb: Heroïne

Tolerantie:

  • soft drug
  • verlangen voor verder gebruik
  • geen opdrijving dosis
  • psychische afhankelijkheid
  • geen derving
  • vb: cannabis

Derving (of intoxicatie)

  • Zeer sterk missen van iets
  • Fysische oorzaak

(Merel) Ik denk niet dat tolerantie hierboven goed uitgelegd wordt (http://www.pitsstop.leidenuniv.nl/index.php3?c=143): bij sommige drugs geeft je lichaam aan dat steeds meer van het middel nodig is om hetzelfde effect te voelen. Denk niet dat dit iets te maken heeft met soft of hard drug. Ook wel gewenning genoemd.

(Johan) Ik vond het ook een vreemde uitleg, maar zie p. 233 (als tolerantie ook gewenning genoemd wordt, is dat exact wat er staat)

3) Wat is een ‘designer drug’?

  • variatie op bestaande drug-moleculen
  • om wet te ontduiken
  • effect van bestaande drugs namaken
  • marketingstrategie

nadelen:

  • mensen weten niet wat ze eigenlijk echt gebruiken
  • effect lijkt mss op een bepaalde drug, maar heeft mss bijkomende nadelige effecten

26.03.2007 Patrick Develtere: Ontwikkelingssamenwerking: geven we goed voor het goede doel?

Zijn hier examenvragen van ? Indien het die vragen zijn die één voor één worden uitgewerkt in de samenvatting: zie samenvatting: http://www.hiw.kuleuven.be/ned/lessen/programma.htm