Beeldverwerking en Visuele Inspectie

Ga naar: navigatie, zoeken

Samenvattingen

Klik hier om de samenvattingen te bekijken

Informatie over het examen

Het examen bestaat uit twee vragen. Elke vraag is onderverdeeld in twee delen. In het eerste deel moet je theorie reproduceren uit de cursus en daar enkele bijvraagen kunnen over beantwoorden. Bij het tweede deel moet je over het in deel één besproken onderwerp creatief denken, de oplossing hiervoor staat nergens in de cursus en bewijst of je het echt wel onder de knie hebt.(Het antwoord op deze praktijkvraag kan heel kort zijn.

Prof Van Gool houdt van een goeie uitgewerkte schriftelijke voorbereiding, een volledige uitwerking van de formules zoals in de les gezien is zeker een plus. Hoe minder je opschrijft hoe meer hij zal vragen en hoe langer de mondelinge verdediging zal duren. Hij zal proberen om alles uit je te halen wat er in zit en als je fout bent je op de juiste weg helpen of zelf helemaal de juiste redenering uitleggen. Hoe minder hij praat hoe hoger je score dus.

Als ik mij niet vergis wordt er altijd een basis vraag gesteld over: werking van licht / camera model / lens model(hoofdstuk 2 tot 4) en ten tweede een vraag over de moeilijkere materie uit de cursus: Hoofdstuk 5 en later(Sampling / Image enhancement / Image Detection / Tracking / 3D reconstruction) Zorg alvast dat je de basis van voor naar achter kent, dit is geen aardsmoeilijke materie(de afleiding van de vergelijkingen van Maxwell worden nooit gevraagd) en zal je helpen de andere hoofdstukken beter te begrijpen.

Examenvragen

11 juni 2010

Vraag 1

A. Leidt het model van de camera af met de perspectieve projectie.

Geef alles van A tot Z! Uiteindelijk moet je de Matrixvergelijking geven die in de cursus staat(in homogene coördinaten! (Hij vertelde mij dat ik nog maar de enige was die alles volledig had opgeschreven, en ik was pas 6de aan de beurt). Dit is een vraag uit het begin van de cursus en een weggever, zie dat je deze materie zeker kent! Het is immers de basis waarop de rest van de cursus steunt. Bijvraag was bijvoorbeeld wat de dimensie van de matrix is: 3 rijen en 4 kolommen.

B. Wat wijzigt er aan de matrixvergelijking die je uitkomt in de vorige vraag wanneer je een pseudo-orthografische projectie gebruikt?

Oplossing: uitleggen wat een pseudo orthografische projectie is: f/Z = constant of quasi constant(indien Z groot is tegenover f!) en als f/Z = 1 dan is het een volledig orthografische projectie. De matrix uit bovenstaande vraag zal uiteindelijk in de laatste rij enkel nullen bevatten behalve op de laatste plaats, daar staat een 1(aangezien dit met rho uit de linkerzijde van de vergelijking kan genormaliseerd worden).

Vraag 2

A. Geef de twee functionele componenten van de Optical Flow.

Het gaat dus over de fout op de Optical Flow constraint en de Smoothness constraint(S + Lambda C). Uitleggen wat er wordt beschreven in de functionelen. Bijvraag was waarom er twee constraints nodig zijn. Met slechts 1 constraint kan je slechts 1 snelheidscomponent afleiden(aperture problem!). Bijvraag 2: welke component kan je dan enkel afleiden? De component in de richting van de gradient.

B. Wat als je twee beelden hebt waar de optical flow wordt op toegepast. Hoe kan je detecteren of er een object zal worden verborgen achter een ander object of juist zal tevoorschijnkomen? (Tip was dat je twee maal optical flow kon toepassen.)

Inderdaad je past het algoritme toe op beeld 1 naar 2 en eens van 2 naar 1. De snelheden zullen normaal tegenovergesteld moeten zijn, buiten op de plaatsen waar een object verborgen wordt of tevoorschijn komt. Dus op die plaatsen heb je dan gedetecteerd dat er iets wordt verborgen of tevoorschijn komt.