Algemene Economie

Ga naar: navigatie, zoeken

Examenvragen

Vragen komen recht uit de bundel. Gelieve het formaat voor elke vraag te volgen. Juiste antwoorden niet direct in de vraag aanduiden, maar onder de vraag met een redenering waarom dit antwoord juist is. Bedoeling is natuurlijk dit allemaal zelf op te lossen en dan na te kijken en eventueel aan te vullen. Ook door het verdedigen / afbreken van antwoorden bekomt men dieper inzicht in de economische wetenschap.

--RubenV 19 mei 2006 21:10 (CEST)

Meer vragen op http://www.wina.be/~stevel/2ki/files/eco_examen.rar --Stevel 24 mei 2006 18:15 (CEST)

(Link was dood, na deze kleine verbetering werkt hij weer -- Jonas, 28 mei 2007 )

Mondelinge vragen

1) bespreek MV=PQ. wat is de rol van de centrale bank hierbij? bijvraagje: bespreek inflatie versus economische groei

2) intrestpariteit bij wisselkoersen

Meerkeuzevragen 1

1 t.e.m. 10

1) Vertrek van de volgende marginale kostenfunctie: (x = hoeveelheid geproduceerd)

In dat geval geldt dat:

  • (A) TK =
  • (B) GVK (gemiddelde variabele kost) =
  • (C) GVK =
  • (D) de TK noch de GVK kunnen berekend worden.

Oplossingen:

Wie: Willem 21 mei 2006 11:23 (CEST)
Wat: A, want: het is allesinds niet B & C aangezien ge voor GVK de Gemiddelde Kost & den gemiddelde vaste kost(: GVK(x) = GK(x) - GFK(x)) of de variabele kost (: GVK(x)= VK(x)/x) nodig hebt, en die kunt ge niet afleiden uit de Marginale Kost.
Voor kleine verandering wordt de marginale kost bepaald als afgeleide van de totale kost:

=> Dus deze redenering klopt niet.

Wie: Stevel 24 mei 2006 17:19 (CEST)
Wat: D, want: "Is de MK bij A niet gelijk aan . Het antwoord is volgens mij dus D, omdat de constante bij TK niet gekend is."

Wie: Polleke 11 juni 2006 18:41 (CEST)
Wat: B, want : Aangezien , hebben we dat . Als je er dan rekening mee houdt, dat TK op te splitsen is in FK en VK, hebben we dat (alle termen met x in). Om GVK te bereken, moet je dit nog delen door x en zo kom je tot antwoord B.


2) Hieronder ziet u een korte termijn productiefunctie.

mottige grafiek hier

Het verloop van deze productiefunctie:

  • (A) komt niet overeen met de wete van de variabele marginale opbrengsten
  • (B) is het gevolg van eerst toenemende, dan afnemende schaalopbrengsten
  • (C) is het gevolg van een eerst toenemende en daarna afnemende productiviteit van de productiefactor arbeid gegeven een constant gebruik van de andere productiefactoren
  • (D) is het gevolg van eerst afnemende en dan toenemende schaalopbrengsten

Oplossingen:

Wie: Willem 30 mei 2006 12:05 (CEST)
Wat niet:

  • A, want: komt wel overeen met de wet van de variabele marginale opbrengsten(marginale opbrengst neemt eerst en dan af)
  • B, want: heeft nix te maken met schaalopbrengsten. Dit is een korte termijn productiefunctie en schaalopbrengsten lopen over lange termijn
  • D, want: heeft nix te maken met schaalopbrengsten. Dit is een korte termijn productiefunctie en schaalopbrengsten lopen over lange termijn

Wat wel:

  • C, want: het is duidelijk als we de de gemiddelde productiviteits voerstralen en de raaklijnen van de marginale opbrengsten tekenen.

3) Welke uitspraak is niet correct als je weet dat zowel in de productie van graan als vlees arbeid en de grond de enige productiefactoren zijn


mottige grafiek hier
  • (A) de verschuiving van de transformatiecurve van T naar T´ kan het gevolg zijn van een algemene toename van de productiviteit van de productiefactor arbeid
  • (B) Het is niet zonder meer duidelijk dat de consumptiebundel B voor het land in kwestie een betere combinatie is dan A
  • (C) gegeven transformatiecurve T is het punt C niet bereikbaar
  • (D) gegeven transformatiecurve T´ houdt het punt C in dat een gedeelte van de beschikbare grond of werkkrachten niet of verkeerd gebruikt is.

Oplossingen:

Wie: Willem 29 mei 2006 12:42 (CEST)
Wat niet:

  • B, want: punten OP een transformatiecurve/productiemogelijkhedencurve kunnen niet met elkaar vergeleken worden
  • C, want: nogal duidelijk
  • D, want: C is een punt dat ineffecient is. Er kan dus meer graan of/en vlees geproduceert worden.

Wat wel:

  • A, want: Dan zou de transformatiecurve ook over de Y-as verschuiven en niet alleen over de X-as

4) Overtypen!


5) Door de daling van de prijs van het goed 1 kan de consument die zich oorspronkelijk ine venwichtspunt E bevond nu op een evenwichtspunt geraken dat ligt op de indifferentiecurve U1

mottige grafiek hier

gegeven de bovenstaande grafiek geldt:

  • (A) in het nieuwe evenwichtspunt zal de gekochte hoeveelheid van q2 lager zijn dan q2* en de gekochte hoeveelheid van q1 hoger dan q1*
  • (B) in het nieuwe evenwichtspunt zal de gekochte hoeveelheid van q2 hoger zijn dan q2* en de gekochte hoeveelheid van q1 ongeveer dezelfde
  • (C) het nieuwe evenswichtspunt kan bekomen worden door de een evenwijdige verschuiving van de budgetlijn door E tot zij raakt aan de curve U1
  • (D) om op de indifferentiecurve U1 te geraken moet de prijs P1 minstens gehalveerd worden.

Oplossingen:

Wie: Willem 30 mei 2006 15:05 (CEST)
Wat niet:

  • B, want: de intercept met de Y-as blijft dezelfde en de intercept met de X-as verschuift naar rechts. We kunnen de budget rechte herteken aan de hand van de intercept op de Y-as en de curve U1. Er mag maar 1 snijpunt zijn tussn de budgetrechte en de curve U1. Als we deze rechte juist tekenen zien we dat q2 verlaagt en q1 verhoogt.
  • C, want: een evenwijdige verschuiving zou beteken dat het budget verandert of de 2 prijzen evenredig groter worden. Dat is niet het geval
  • D, want: lijkt me onmogelijk te weten uit de gegevens.

Wat wel:

  • A, want: de intercept met de Y-as blijft dezelfde en de intercept met de X-as verschuift naar rechts. We kunnen de budget rechte herteken aan de hand van de intercept op de Y-as en de curve U1. Er mag maar 1 snijpunt zijn tussn de budgetrechte en de curve U1. Als we deze rechte juist tekenen zien we dat q2 verlaagt en q1 verhoogt.

6) Overtypen!


7) Overtypen!


8) Overtypen!


9) Overtypen!


10) Overtypen!

11 t.e.m. 20

11) Overtypen!


12) Overtypen!


13) Overtypen!


14) Overtypen!


15) Overtypen!


16) De totale kostenfunctie van de monopolist is TK = 40x + 100. De marktvraag naar het goed x wordt gegeven door de functie x = 100 - p. Waarbij p is de marktprijs van het goed x. Wanneer de monomolist zijn evenwicht bereikt heeft is:
A. de productie, x=30, p=70
B. de productie, x=30, p=30
C. de productie, x=60, p=40
D. de productie, x=40, p=60
Wie: ArDelLa 1 jun 2006 15:58 (CEST)
Wat:
Ik heb gewoon x=100 - p in de andere vergelijking ingevuld en bekom zo de vergelijking TK = 40(100-p) + 100. Daarna heb ik de afzonderlijke prijzn ingevuld en gekeken bij welke prijs de TK het laagst was.
B is het al zeker niet omdat hier x=30 en p=30 niet voldoen aan de betrekking x=100-p.
De laagste Tk bekom ik bij het antwoord A

Wie: Bert Bio-ir 28 jun 2006 15:45 (CEST)
Wat: Antwoord C
TK (x) = 40x + 100
TK = FK + VK (x)
MK = dTK/dx = 40
Monopolist kiest outputniveau waarvoor MK = MO = p
40 = 100 – x
x = 60

Wie: Michiel, 4 jan 2008

Answer: A

Profit= TO - TK Profit = x*p - (40x +100) Profit = x*(100-x) - 40x - 100

Profit max --> delta profit / d x = 0

d Profit / d x = 100 - 2x - 40 = 0 x = 30 , p = 70 --> Answer: A


17)Overtypen!


18) Overtypen!


19) Op de wisselmarkt in Brussel noteert men 1$ = 31 BEF. Op de wisselmarkt in New York noteert men 1BEF = 0.04$.

Welke uispraak is juist?

  • (A) Arbitraganten zullen dollars kopen in Brussel en verkopen in New York;
  • (B) Arbitragenten zullen BEF kopen in New York en verkopen in Brussel;
  • (C) Arbitragenten zullen dollars kopen in New York en verkopen in Brussel;
  • (D) aangezien er geen winstmogelijkheden zijn, zal er geen arbitrage plaatshebben.

Oplossingen:

Wie: ArDelLa 1 jun 2006 11:07 (CEST)
Wat niet:

  • A: Als ik in Brussel een dollar koop kost mij dat 31 BEF. Als ik die dan in NY verkoop, brengt mij dat voor 1 dollar (0.04*25) 25 BEF op
  • B: Als ik 1BEF in NY koop kost mij dat 0.04$. Als ik deze in Brussel verkoop, krijg ik 1/31 = 0.0322 dollar

Wat wel: C. Als ik in NY een dollar koop kost mij dat 25 BEF. Als ik deze verkoop in Brussel brengt het mij 31BEF op.


20) Lock out

  • (A) is een methode van de bescherming van de afzetmarkt;
  • (B) doet zich voor bij marktsegmentatie;
  • (C) is collectieve afdanking van alle werknemers door de werkgevers;
  • (D) is uitsluiting van de consumenten die de marktprijs niet willen of kunnen betalen.

Oplossingen:

Wie: ArDelLa 1 jun 2006 11:17 (CEST)
Wat: C, wat het meeste aanleunt bij de verklaring die ik vond op Wikipedia :p, nl "a work stoppage in which an employer prevents some or all employees from working, even to the extent closing the business."


Meerkeuzevragen 2

1 t.e.m. 10

1) Wanneer de EG een minimumprijs oplegt die hoger is da de evenwichtsprijs die normaal op de markt van een bepaalde graansoort zou tot stand komen dan,

  • (A) zullen vraag en aanbod zich aanpassen en komt spontaan een nieuw evenwicht tot stand tegen de door de EG bepaalde hogere prijs,
  • (B) zal een graantekort onstaan binnen de EG, wat de normale hander verstoort tenzij de EG het ontbrekende graan levert tegen de door haar bepaalde minimumprijs (zij koopt dat graan dan op de wereldmarkt).
  • (C) zal er een overschot ontstaan van deze graansoort binnen de EG, wat de normale hander verstoort tenzij de EG de ontstane overschotten opkoopt tegen de door haar bepaalde minimumprijs (zij kan het graan verder verkopen op de wereldmarkt of opslaan).
  • (D) zal er een zwarte markt onstaan waarbij het graan verhandeld wordt tegen een prijs die hoger is dan de door de EG opgelegde minimumprijs.

Oplossingen:

Wie: ArDelLa 1 jun 2006 11:29 (CEST)
Wat niet:

  • A. Als de prijs daalt zal de vraag afnemen (daar ik aanneem dat graan een normaal goed is) en zal er dus een aanbodoverschot komen
  • B. Er ontstaat een graanoverschot en geen graantekort
  • D. Wanneer er overschot is aan een bepaalde prijs, zal de zwarte markt zeker niet kunnen verkopen boven deze prijs.

Wat wel: C. in één zin samengevat hoe het er op dit vlak dezer dagen aan toegaat in de EU. Even terzijde: de landbouwsubsidies slorpen 40% op van het totale inkomen van de EU.

Wie: --Roel 28 jun 2006 13:10 (CEST) Wat: details
Uiteraard heeft ArDelLa helemaal gelijk. Maar bij A. is het principe uiteraard dat de prijs stijgt bij een minimumprijs en bij een normaal goed de vraag dus daalt, terwijl het aanbod stijgt. Het punt is: er komt géén evenwicht. Vraagcurve en aanbodcurve blijven dezelfde, maar de vraag bevindt zich onder de evenwichtsvraag en het aanbod boven het evenwichtsaanbod. Aangezien bij evenwicht vraag_e==aanbod_e. Nu is vraag_m=vraag_e-x1 en aanbod_m=aanbod_e+x2. Nu geldt dus dat vraag_m=aanbod_m-x1-x2. Of dus aanbod_m >> vraag_m. Aanbodoverschot en geen evenwicht.
Vandaar dus: ook niet B.
Er ontstaat een zwarte markt ONDER de minimumprijs en dus ook niet D
Het is idd wél C, vanwege het hierboven uitgelegde...


2) Een kweker van sierstruiken overweegt 300 Japanse Kerselaars aan te planten. Hij verwacht dat de verkoop van jonge bomen, 1 jaar na het betalen van de investering hem 250 € opbrengt. Van het bedrag zijn transport en andere kosten afgetrokken. De volgende 4 jaar bedraagt de verwachte opbrengst respectievelijk 750, 1000, 1000 en 500 €. Na het vijfde jaar zijn de bomen niet meer geschikt om te verplanten en kunnen ze bijgevolg ook niet meer verkocht worden. Bereken het bedrag dat deze kweker maximaal in Japanse Kerselaars zal willen investeren wanneer hij zijn geld ook gewoon kan beleggen bij de bank tegen een jaarlijkse intrestvoet van 8 procent. Dat bedrag is

  1. 3500€
  2. 3240,75€
  3. 2963,125€
  4. 2743,65€

Antwoord: 4 Redenering: Het geld dat hij ontvangt kan hij de jaren erna beleggen op de bank. Bereken vanuit de totale verkregen som hoeveel je nodig hebt om datzelfde bedrag te bereiken door het te beleggen. Wiskundige uitwerking:

Mits hier en daar de juiste afrondingen toe te passen, kan je uitkomen op antwoord D. --Stevel 28 jun 2006 19:53 (CEST)


3) Overtypen!


4)

  • (A) Als de gemiddelde ontvangsten van een prijsnemend bedrijf kleiner zijn dan de gemiddelde kosten moet het bedrijf in elk geval sluiten.
  • (B) Als de gemiddelde ontvangsten van een prijsnemend bedrijf kleiner zijn dan de gemiddelde kosten maar groter dan de gemiddelde variabele kosten, moet het bedrijf niet in elk geval sluiten.
  • (C) Als de marginale kosten groter zijn dan de marginale ontvangsten moet het bedrijf in elk geval sluiten
  • (D) Als de marginale kosten gelijk zijn aan de marginale ontvangsten moet het bedrijf in elk geval voortproduceren


Oplossingen:

Wie: Willem 30 mei 2006 18:49 (CEST)
Wat niet :

  • A, want: Indien men niet produceert is het verlies gelijk aan de vaste kost. Als we door te produceren een gemiddelde ontvangst hebben die groter is dan de gemiddelde variabele kost. Dan zal het verlies kleiner zijn dan de vaste kost.
  • C, want: het bedrijf kan nog altijd winst maken maar de winst zal niet gemaximaliseerd zijn
  • D, want: dan is de winst gemaximaliseert maar dat betekent niet dat de winst positief is. Er kan verlies gemaakt worden en indien het verlies groter is dan de vaste kost moet het bedrijf stoppen met produceren

Wat wel: B, want: als er niet geproduceert wordt, is het verlies gelijk aan de vast kost, als er geproduceert wordt zal op korte termijn het verlies kleiner zijn dan de vaste kost omdat de gemiddelde ontvangst groter is dan de gemiddelde variabele kost


5) Overtypen!


6) De wet van J.B. Say stelt dat:
A. Het macro-economisch prijzenpeil bepaald wordt door M+V;
B. de werkloosheid daalt als het BNP toeneemt;
C. elk aanbod zijn eigen vraag schept;
D. de lonen dalen als de actieve bevolking stijgt.
Wie: ArDelLa 1 jun 2006 15:02 (CEST)
Wat: C, zoals de definitie stelt


7) Als de reservecoëfficiënt aan de banken door de overheid opgelegd, stijgt:
A. is hun geldscheppend vermogen kleiner
B. zal de inflatie gemakkelijk toenemen
C. zal de deviezenreserve van de Nationale Bank dalen
D. de 3 voorgaanden zijn onjuist
Wie: ArDelLa 1 jun 2006 15:18 (CEST)
Wat niet:
B. inflatie is het verschijnsel dat geld steeds minder waard wordt omdat de vraag naar een product sneller groeit dan de productiecapaciteit. Als de inflatie op dit moment bv 2% is dan zal iets dat 100 euro kost binnen een jaar 102 euro kosten.
Wat wel:
A. Reservecoëfficiënt duidt aan hoeveel van ontastbaar geld (zoals een lening) toch in tastbaar/chartaal geld beschikbaar moet zijn. Alle commerciële banken hebben zo'n coëfficiënt opgelegd gekregen en hebben meestal nog een veiligheidsmarge ingecalculeerd. Hoe meer deze coëfficiënt stijgt, hoe minder geldscheppend vermogen de bank zal hebben.


8) Overtypen!


9) Overtypen!


10) Onder monopolistische mededinging is het evenwicht op korte termijn doorgaans verschillend van dat op lange termijn. Indien in de lange termijn er noch winst, noch verlies wordt gemaakt, dan wordt dit veroorzaakt door:
A. de negatief geïnclineerde vraagcurve;
B. het bestaan van schaalopbrengsten;
C. de vrije toetreding en uittreding
D. het U-vormig verloop van de gemiddelde kost
Wie: ArDelLa 2 jun 2006 11:53 (CEST)
Wat: Ik zie niet echt een andere oplossing dan C. Zolang er winst te maken is zullen er spelers op de markt bijkomen. Dit gaat zo verder tot de winst voor iedereen 0 is. Dit evenwicht kan enkel bereikt worden door de vrij toe/uittreding.

11 t.e.m. 20

11)

mottige grafiek hier

Dze figuur kan volgende curven voorstellen

  • (A) 1= GFK 2=MK 3=GK 4=GVK
  • (B) 1= GFK 2=GK 3=GVK 4=MK
  • (C) 1= GFK 2=GVK 3=GK 4=MK
  • (D) Geen van de vorige

Oplossingen:

Wie: Willem 30 mei 2006 18:58 (CEST)
Wat: D, want: 3 kan alleen de GK zijn aangezien de GVK<GK en GFK<GK als 3 de KG is moet 2 ge gemiddelde variabele kost zijn, 1 de vaste kost en dus 4 MK. Maar vanaf het moment dat de MK de GK snijdt moet de GK stijgen en dat gebeurd hier echter niet.


12) Overtypen!


13)

mottige grafiek hier

Welke van onderstaande uitspraken is correct?

  • (A) in het punt e is de vraagcurve Va prijselastischer dan de vraagcurve Vb
  • (B) in het punt f is de puntprijselasticiteit van de vraagcurven Va en Vc = 0
  • (C) de prijselasticiteit van de vraag Vc is gelijk aan -3 in het punt g
  • (D) in het punt h is de prijselasticiteit van de vraag Vd in absolute waarde groter dan die van vraag Vc in het punt g en kleiner dan die van de vraag Va in het punt e

Oplossingen:

Wie: Willem 30 mei 2006 19:37 (CEST)
Wat niet:

  • A, want: Indien vA prijselastischer is dan Vb dan zou vA vlakker zijn dan vB
  • B, want: de puntsprijselasticiteit is gelijk aan -oneindig
  • C, want: de prijselasticiteit van g ligt tussen -1 en 0 want g = -1/3

Wat wel: D, want: de prijselasticiteit van e op Va = -2 * 2/1 => |4| > de prijselasticiteit van h = -1 * 2/3 => |2/3| > de prijselasticiteit van g = -1 * 1/3 => |1/3|


14)

mottige grafiek hier

Duid de juiste bewerking aan:

  • (A) zowel x1 als x2 zijn inferieure goederen
  • (B) goed x1 is een inferieur goed, x2 is een normaal goed
  • (C) goed x2 is een inferieur goed, x1 is een normaal goed
  • (D) de krommen in deze figuur stellen geen indifferentiecurvenverzamelingen voor omdat ze niet evenwijdig lopen.

Oplossingen:

Wie: Willem 30 mei 2006 19:54 (CEST)
Wat niet:

  • A, want: uitleg C
  • B, want: uitleg C
  • D, want: moet niet evenwijdig zijn zolang ze niet snijden is er geen probleem

Wat wel: C, want: Indien het inkomen toeneemt zal de vraag naar inferieure goederen dalen. Door de verticale verschuiving van de budgetrechte zien we dat de vraag naar goed x2 vermindert. x2 is dus een inferieur goed


15) Een consument in een wereld van 2 goederen heeft lineaire differentiecurven met een helling die in absolute waarde overal gelijk is aan 1. Het inkomen van de consument is gelijk aan 2000.
De prijs van goed 1 is 10 en de prijs van goed 2 is 5. Wat is de optimale combinatie?

  • (A) 200 eenheden van goed 1
  • (B) 400 eenheden van goed 2
  • (C) 100 eenheden van goed 1 en 200 eenheden van goed 2
  • (D) alle goederencombinaties op de budgetlijn zijn voor de consument even goed

Oplossingen:

Wie: Willem 30 mei 2006 20:08 (CEST)
Wat : B,want: In de veronderstelling dat differentiecurven die "rechts boven" liggen beter zijn(meer is beter) en q1 op de y-as en q2 op de x-as ligt. Als we dus blijven doorschuiven naar indifferentiecurven die hoger liggen en betaalbaar zijn op een zeker "niveau", komen we uiteindelijk in het punt waar de budgetrechte de X-as snijdt. We kunnen niet meer opschuiven want dat is niet meer betaalbaar binnen het budget.

Wie: --Roel 28 jun 2006 13:52 (CEST) Wat: B Willem redeneert te vaag :-). Een lineaire indifferentiecurve met helling 1 of -1 betekent dus een rechte. Aangezien een differentiecurve een verhouding aanduid, is het dus niet 1, maar -1. MAW als een consument z bijkrijgt van het ene goed, is hij tevreden met z minder van het andere goed. Op die manier is (y-(y+z))/(x-(x-z))=-1 waarbij y het ene en x het andere goed voorstellen. Vgl: y=-x + y1.
De budgetcurve is ook een rechte door de punten (0,200) en (400,0). Of dus y=-1/2x+200

Het is dus niet D, aangezien budgetlijn en indifferentiecurve niet samenvallen.
A,B en C liggen alle3 op de budgetlijn.
Bij A gaat de indifferentiecurve door (0,200) en (200,0). Bij B echter door (0,400) en (400,0) wat duidelijk meer naar rechts ligt. Bij C door (0,300) en (300,0) wat minder naar rechts ligt dan B
Als dit voor iedereen evident was en voor mij niet, dan weet ge al wie er gaat buizen ;-)


16) Indien het directiecomité van een trammaatschappij de prijs van een ticket verhoogt om de totale opbrengsten te doen toenemen, dan veronderstellen de leden impliciet dat de prijselasticiteit van de vraag naar een ticket:

  • (A) In dit verband geen rol speelt
  • (B) zal toenemen
  • (C) in absolute waarde kleiner is dan 1
  • (D) in absolute waarde groter is dan 1

Oplossingen:

Wie: Willem 30 mei 2006 20:08 (CEST)
Wat : C,want: Indien het inkomen verhoogt als de prijs verhoogt is de vraag inelastisch. De prijselasticiteit is dan in absolute waarde kleiner dan 1


17) Overtypen!


18) Overtypen!


19) Overtypen!


20) Overtypen!

Meerkeuzevragen 3

1 t.e.m. 10

1) Overtypen!


2) Overtypen!


3) Overtypen!


4) Overtypen!


5) Overtypen!


6) Overtypen!


7) Overtypen!


8) Overtypen!


9) Overtypen!


10) Overtypen!

11 t.e.m. 20

11) Overtypen!


12) Overtypen!


13) Overtypen!


14) Overtypen!


15) Overtypen!


16) Overtypen!


17) Overtypen!


18) Overtypen!


19) Overtypen!


20) Overtypen!

21 t.e.m. 30

21) Overtypen!


22) Overtypen!


23) Overtypen!


24) Overtypen!


25) Overtypen!


26) Overtypen!


27) Overtypen!


28) Overtypen!


29) Overtypen!


30) Overtypen!

31 t.e.m. 40

31) Overtypen!


32) Overtypen!


33) Overtypen!


34) Overtypen!


35) Overtypen!


36) Overtypen!


37) Overtypen!


38) Overtypen!


39) Overtypen!


40) Overtypen!

41 t.e.m. 50

41) Overtypen!


42) Overtypen!


43) Overtypen!


44) Overtypen!


45) Overtypen!


46) Overtypen!


47) Overtypen!


48) Overtypen!


49) Overtypen!


50) Overtypen!

51 t.e.m. 60

51) Overtypen!


52) Overtypen!


53) Overtypen!


54) Overtypen!


55) Overtypen!


56) Overtypen!


57) Overtypen!


58) Overtypen!


59) Overtypen!


60) Overtypen!

61 t.e.m. 70

61) Overtypen!


62) Overtypen!


63) Overtypen!


64) Overtypen!


65) Overtypen!


66) Overtypen!


67) Overtypen!


68) Overtypen!


69) Overtypen!


70) Indien de prijs van een bepaald goed daalt van 1,24 euro naar 1,19 euro en de gevraagde kwantiteit stijgt van 30 naar 35 dan is de vraag:

  • (A) elastisch
  • (B) inelastisch
  • (C) perfect inelastisch
  • (D) perfect elastisch

Oplossingen:

Wie: RubenV 20 mei 2006 14:36 (CEST)
Wat: A, want: We berekenen de prijselasticiteit van de vraag, die is: . De twee perfecte elasticiteiten komen enkel voor bij respectievelijk 0 en -oneindig, vraagelasticiteit < -1 == elastisch.


Wie: --Roel 28 jun 2006 12:59 (CEST)
Wat: Uiteraard A, maar kleine muggezifterij. het is en dus moet je delen door 30 ipv 35. Wat -4.1333 als uitkomst geeft. Zelfs een ietsiepietsie elastischer.

71 t.e.m. 80

71) Overtypen!


72) Overtypen!


73) Overtypen!


74) Overtypen!


75) Overtypen!


76) Overtypen!


77) Overtypen!


78) Overtypen!


79) Overtypen!


80) Overtypen!

81 t.e.m. 90

81) Overtypen!


82) Overtypen!


83) Overtypen!


84) Overtypen!


85) Overtypen!


86) Overtypen!


87) Overtypen!


88) Overtypen!


89) Overtypen!


90) Overtypen!

91 t.e.m. 99

91) Overtypen!


92) Overtypen!


93) Overtypen!


94) Overtypen!


95) Overtypen!


96) Overtypen!


97) Overtypen!


98) Overtypen!


99) Overtypen!

Voorbeeld vragen toledo

Hoofdstukken slaan op de hoofdstukken in het boek, niet op Spinnie's vreemde slide indelingen.

Hoofdstuk 1

1) Welke uitspraak is fout?

  • (A) Mensen handelen volgens economisten rationeel indien ze een keuze maken die niet door een andere keuze kan verbetered worden.
  • (B) In een economische benadering wordt altruïsme niet uitgesloten, omdat het voordeel voor andere één van de dimensies kan zijn van de verlangens die de beslissingen drijven.
  • (C) De resultaten van een ecomische analuse zijn slechts geldig voorzover de agenten over een hoge graad van intelligentie beschikken.
  • (D) Indien de marginale baat van een verandering van de keuze groter is dan de marginale kost van de verandering, dan is de keuze verbeterbaar.


Oplossingen:

Wie: Willem 29 mei 2006 12:03 (CEST)
Wat niet:
A, want: rationeel = indien de mens zijn situatie kan verbeteren door zijn keuze aan te passen, zal hij dit ook doen.
D , want: de winst is maximaal als marginale kost = marginale opbrengst

Wat wel:
C, want: lijkt mij intuitief fout

Wie: --Ben 29 mei 2006 13:01 (CEST)
Info: al·tru·ïs·me: het altruïsme; afleiding(en): altruïstisch, altruïst: levenshouding van iemand die zijn handelwijze laat bepalen door de belangen van anderen
Wat: C, want: er is in de cursus helemaal niet gesproken over intelligentie, enkel rationaliteit. En das nie hetzelfde!

Wie: --RubenV 4 jun 2006 14:27 (CEST)
Wat: C, want de rest is juist. A is trouwens de rationaliteitsveronderstelling, zie p. 44.



2) Een student beschikt over 7 dagen om voor 3 vakken te studeren. Onderstaande tabel geeft het verwacht aantal punten indien zij aan elk vak het vermelde aantal dagen besteedt. Het maximaal aantal dagen dat men aan een vak kan besteden is 6. Het maximum voor ieder vak is 100. (a,b,c) betekent dat a,b,c dagen respectievelijk aan vak 1, 2 en 3 worden besteed. De doelstelling is het puntentotaal te maximaliseren.

dagen vak 1 vak 2 vak 3
1 30 41 42
2 47 54 55
3 60 62 61
4 72 73 66
5 80 78 70
6 85 80 73

Welke uitspraak is fout?


  • (A) De opportuniteitskost van een keuze is de waarde van de verloren gegande beste alternatieve aanwending
  • (B) Indien de student (3,2,2) overweegt, dan is de opportuniteitskost van een dag besteed aan vak3 gelijk aan 13
  • (C) Indien de student (3,2,2) overweegt, dan is de opportuniteitskost van een dag besteed aan ieder van de vakken telkens kleiner dan de bijdrage van deze dag tot het puntentotaal
  • (D) De student bekomt het hoogste percentage door voor(3,2,2) te kiezen


Oplossingen:

Wie: Willem 29 mei 2006 12:18 (CEST)
Wat niet:

  • A, Per definitie
  • C,
    • vak3: het verschil tussen 1dag en 2dagen = 13 en de opportuniteitskost = 12(het hoogste getal dat bij vak 1 en 2 bijkomt als we een dag extra aan deze vakken besteden). 13 > 12 => OK
    • vak2: het verschil tussen 1dag en 2 dagen = 13 en de opportuniteitskost = 12. 13 > 12 => OK
    • vak1: het verschil tussen 2 en 3 dagen = 13 en de opportuniteitskost = 11. 13 > 11 => OK
  • D, klopt

Wat wel:

  • B, want: de opportuniteitskost is gelijk aan 12. De beste keuze is dan een extra dag aan vak1 te besteden en het verschil tussen 3dagen en 4 dagen is gelijk aan 12

Hoofdstuk 2

1) Stel dat de vraag naar fruit bij een aanbod onder normale weersomstandigheden, prijsinelastisch is. Bij een kleine daling van het aanbod onder iets minder gunstige weersomstandigheden stelt men ceteris paribus vast dat het inkomen van de fruitboer

  • (A) Altijd stijgt
  • (B) Altijd daalt
  • (C) Stijgt indien de vraag naar fruit een luxegoed is
  • (D) Daalt indien de vraag naar fruit een normaal goed is


Oplossingen:

Wie: Willem 29 mei 2006 17:35 (CEST)
Wat niet :

  • C & D, want: normaal of luxe goederen doen er hier helemaal niet toe.

Wat wel:

  • A de vraag is inelastisch. Doordat het aanbod daalt zal de prijs stijgen en door de inelasticiteit zal het inkomen meestijgen


Wie: RealBirkoff 30 mei 2006 13:18 (CEST)
Wat: is dit niet antwoord A ? aangezien bij prijsinelastische vraag de prijs stijgt bij een daling van het aanbod (prijsinelastisch == rechts van evenwicht) en dus gaat de opbrengst ook stijgen

Wie: Willem 30 mei 2006 16:34 (CEST)
Wat: klopt. *edited*


2) Auto's en benzine zijn complementen, benzine en LPG zijn substituten. Aanbod- en vraagcurves van auto's en brandstoffen hebben een normaal verloop. Welke situatie zal zich ,ceteris paribus, voordoen, na een verhoging van de accijns op benzine?

  • (A) Zowel auto's als LPG worden duurder
  • (B) Zowel auto's als LPG worden goedkoper
  • (C) Auto's worden duurder, LPG wordt goedkoper
  • (D) auto's worden goedkoper, LPG wordt duurder

Oplossingen:

Wie: Willem 29 mei 2006 19:22 (CEST)
Wat : D Doordat de de benzine "duurder" wordt, zal de vraag naar auto's verminderen. Dit komt omdat autos en benzine complementen zijn. Omdat de vraag afneemt zullen autos goedkoper worden. LPG is een substituut voor benzine en de vraag zal dus verhogen. Door de verhoogde vraag zal LPG duurder worden


Hoofdstuk 4

1) Stel dat de indifferentiecurves, zoals in de figuren van het handboek met op de y-as en op de x-as, dalende covexe functies zijn. Voor een consiment die beschikt over het budget y voldoet de combinatie (,) aan


als delta duidt op een marginale verandering. Welke uitspraak is juist?

  • (A) door een vermindering van met en door met te vermeerderen blijft het budget ongewijzigd en stijgt het nut zodat de keuze(,) verbeterbaar is tenzij =0
  • (B) door een vermeerdering van met en door met te verminderen blijft het budget ongewijzigd en stijgt het nut zodat de keuze(,) verbeterbaar is tenzij =0
  • (C) door een vermindering van met en door met te vermeerderen blijft het nut ongewijzigd en dalen de uitgaven zodat de keuze(,) verbeterbaar is tenzij =0
  • (D) door een vermeerdering van met en door met te verminderen blijft het nut ongewijzigd en dalen de uitgaven zodat de keuze(,q2) verbeterbaar is tenzij =0

Oplossingen:

Wie: Willem 29 mei 2006 19:58 (CEST)
Wat niet :

  • A & C, want: Dat de betekent dat de indifferentiecurve sneller daalt dan de budgetcurve, dus moet vermeerderen en niet verminderen

Wat wel:

  • B, want Door de bewerking ( met te verminderen) komen we op een indifferentiecurve met een hogere nutsfunctie terecht

Wie: --RubenV 4 jun 2006 15:38 (CEST)
Wat niet: C en D kunnen heel eenvoudig geschrapt worden want: en . Budget blijft dus gelijk.


2) Beschouw een consument die het inkomen verdeelt tussen 2 normale goederen waarvoor de marginale substutievoet dalend is. Welke uitspraak is fout?

  • (A) De vraag naar beide goederen stijgt altijd indien beide prijzen dalen.
  • (B) De vraag naar beide goederen daalt altijd na de prijsstijging van één goed.
  • (C) Na de prijsstijging van goed 1 minimeert men de kosten om het oorspronkelijke nutsniveau te behouden. In vergelijking tot de beginsituatie daalt de vraag naar goed 1 en stijgt de vraag naar goed 2
  • (D) Bij een prijsverandeing meet het subtitutieeffect de verandering in de vraag indien bij de nieuwe prijs na een inkomenswijziging het oorspronkelijke nut zou behouden blijven en meet het inkomenseffect de verandering in de vraag indien het inkomen teruggebracht wordt op het werkelijke niveau.


Oplossingen:

Wie: Willem 29 mei 2006 20:08 (CEST)
Wat niet :

  • A, want: de budgetrechte verschuift en de budgetverzameling vergroot. De nutsfunctie verschuift naar rechts boven.
  • C, want: bekijk figuur 4.15 in boek maar vanuit het perspectief dat de prijs van de CD's stijgt
  • D, want: ksnap die 2 termen niet(subtitutieeffect en inkomenseffect). Ze staan in de slides van hfst4 "uitgelegd". als iemand die is ff deftig kan uitleggen?

Wat wel: B bekijk figuur 4.15 in boek maar vanuit het perspectief dat de prijs van de CD's stijgt

Wie: ArDelLa 31 mei 2006 18:11 (CEST)
Even de termen subtitutieeffect en inkomenseffect verduidelijken:

  • Substitutie-effect: als er zich een prijsdaling van een bepaald goed voordoet, zal de consument meer van dit goed aankopen om het andere goed te compenseren of te vervangen.
  • Inkomenseffect: door de prijsdaling zal de consument een inkomensverbetering ervaren. Naargelang van het product zal de vraag hierop anders reageren. Bij luxe en noodzakelijke goederen zal dit effect de gevraagde hoeveelheid doen toenemen en bij inferieure goederen werkt het inkomenseffect tegengesteld en vermindert het substitutie effect.

Hoofdstuk 6


Hoofdstuk 18

1) Welke uitspraak is fout?

  • (A) Wanneer de intrestvoet daalt, zullen meer jonge paren een huis willen kopen met een hypotheeklening en vergroot het aantal rendabele projecten waarvoor naar financiering wordt gezocht: hierdoor stijgt de vraaga op de financiële markt.
  • (B) Wanneer de intrestvoet stijgt, daalt de prijs van toekomstige productie: hierdoor wordt door de gezinnen meer gespaard en stijgt het aanbod op de financiële markt.
  • (C) De toename van de levensverwachting zorgde op de financiële markt voor een verschuiving van het aanbod naar rechts.
  • (D) Omdat obligaties ieder jaar een vaste coupon uitkeren is de prijs waartegen de houder een obligatie voor de vervaldag kan verkopen gelijk aan de uitgifteprijs.

Oplossingen:

Wie: --RubenV 4 jun 2006 17:01 (CEST)
Wat niet:

  • A, lijkt me juist, lagere intrestvoet maakt lenen interessanter, dus meer vraag.
  • B, omgekeerde van A.

Wat wel:

  • D, hier lijkt geen rekening te worden gehouden met wijzigingen in de intrestvoet. Als een coupon elk jaar 5 euro uitkeert en de intrestvoet stijgt tot 5.5%, dan maakt de koper verlies met zijn obligatie.

Wat met C?

  • C is een twijfelgeval en ook helemaal niet in boek vermeld, maar meer aanbieders op de financiële markt lijkt me logisch dat aanbod dan naar rechts verschuift.

Examen toledo

1 t.e.m. 10

1) Welke uitspraak is fout wanneer de inverse vraagfunctie gelijk is aan p(q) = a -q en, omdat de productie alleen vaste kosten inhoudt, de marginale kosten gelijk zijn aan 0.

  • (A) Bij monopolie worden bij productie de ontvangsten gemaximaliseerd en is voor de winstmaximaliserende output qM de prijselasticiteit van de vraag gelijk aan -1
  • (B) De maximale ontvangsten van de monopolist zijn gelijk P(qM)qM = (a/2)²
  • (C) In het nash evenwicht van een symmetrische duopolie verwacht iedere speler dat de tegenstrever qD=a/4 produceert en maximeert de eigen ontvangsten door q te keizen zodanig dat (a-qD-q)q een maximum bereikt in q
  • (D) In een natuurlijke monopolie zijn de vaste kosten kleiner dan (a/2)² maar groter dan (a/3)³

Oplossingen:

Wie: Willem 4 jun 2006 20:05 (CEST)

Wat niet:

  • A, want: omdat de MK de MO pas snijdt in de X-as zijn de maximale ontvangsten maximaal. De MO snijdt de X-as in qM(=a/2),het midden van de vraagcurve waar de prijselasticiteit gelijk is aan -1.
  • B, want: De ontvangsten zijn maximaal op het moment dat de MO de X-as snijdt. dit is in het punt a/2, de prijs die bij de hoeveelheid a/2 hoort, is a/2 dus de maximale ontvangsten zijn (a/2)².

Wat wel:

  • C lijkt mij fout. ge kunt uzelf niet verbeteren in een nash evenwicht?

What about?:

  • D Lijkt me op een of andere reden intuitief juist.

2) Welke uitspraak is fout in het nash evenwicht van een markt met n ondernemingen wanneer de inverse vraagfunctie gelijk is aan gelijk is aan p(q) = 600-q en voor elke ondertenming i TK(qi) = 100 qi

  • (A) Indien onderneming i verwacht dat de andere ondernemingen tesamen Q zullen produceren, dan zal zij kiezen voor de output qi = (500 - Q)/2
  • (B) In het Nash evenwicht produceert elke onderneming 500/n
  • (C) Indien het aantal ondernemingen heel groot wordt, dan nadert p tot 100
  • (D) Onder volmaakte mededinging is in het evenwicht de prijs gelijk aan de marginale kost.

Oplossingen:

Wie: Willem 4 jun 2006 13:05 (CEST)

opmerkingen:

  • De totale ontvangst is gelijk aan P(q)*q
  • De marginale ontvangst is de afgeleide van de totale ontvangst.
  • De Marginale Kost is de afgeleide van de Totale Kost => MK = d/dq TK = d/dq 100q = 100

Wat niet:

  • A, want: klopt: de inverse vraagfunctie is p(q) = 600-q. Voor qi is de vraagfunctie gelijk aan p(qi) = 600-(qi+Q). De totale ontvangst TO=(600-Q)q - qi². De marginale ontvangst is dus MO = 600 - Q - 2qi. Indien de winst van onderneming i maximaal is, is MO=MK en dus 600 - Q -2qi = 100. Als we dat uitrekenen krijgen we dus qi=(500-Q)/2
  • C, want:
  • D, want: Bij volmaakte mededinging is de vraag gelijk aan de gemiddelde opbrengst en de marginale opbrengst. Als de maginale kost en de marginale opbrengst dus snijden doen ze dat in de vraagcurve. De marginale kost is dus gelijk aan de prijs in het evenwicht.

Wat wel:

  • B, want: Neem dat er 2 ondernemingen zijn dan is de inverse vraagfunctie P(q) = 600 - q met q = q1 + q2. Er zou een nash evenwicht moeten zijn indien q1 = q2 = 250. Stel dat q2 = 250 dan moet q1 ook gelijk zijn aan 250, we kunnen dit uitrekenen: p(q1) = 600 - (q1 + 250) = 350 - q1. De totale ontvangst TO(q1) = 350q1 - q1². De marginale ontvangst MO(q1)=350 - 2q1. De marginale ontvangst moet gelijk gelijk zijn aan de marginale kost voor winst maximalisering: 100 = 350 - 2q1. Dus is q1 = (350-100)/2 = 125.



3) Welke uitspraak is fout wanneer de inverse vraagfunctie gelijk is aan p(q) = 700 - , voor elke onderneming i TK(qi)=100qi, i=1,2

  • (A) Indien de twee ondernemingen afspreken om elk 200 te produceren, dan kan niemand zijn winst verhogen zonder de winst van de andere te verminderen.
  • (B) Indien de twee ondernemingen afspreken om elk 150 te produceren, dan kan de onderneming haar winst vergroten door meer dan 150 te produceren.
  • (C) Indien het onmogelijk is afspraken te maken of het breken van een afspraak te bestraffen, dan zullen ze beide in het nash evenwicht 200 produceren
  • (D) Het is soms mogelijk om in een afspraak de uitkomsten van een Nash evenwicht voor alle partijen te verbetern indien het breken van afspraak nadien voldoende kan bestraft worden

Oplossingen:

Wie: Willem 4 jun 2006 17:33 (CEST)

Wat niet:

  • B, want: klopt
  • C, want:
  • D, want:

Wat wel:

  • A, want: als ze elke 200 produceren zitten ze in een nash evenwicht. Er is geen manier waarop een producent zijn winst kan verhogen door van keuze te veranderen.

4) Overtypen!


5) Overtypen!


6) Beschouw twee olieproducten, i=1,2, met kostenfunctie TKi=100qi die eerst produceren en dan samen q=q1+q2 verkopen aan

p=2500-q

en de winst Wi bekomen. Beschouw de drie scenario's (a) de twee olieproducenten kunnen geen afspraken maken over de productie die ze simultaan bepalen;(b) zij kunnen een afspraak maken over de productie die ze gelijk onder elkaar verdelen (c) producent 1 houdt zich aan de afspraken in (b) en product 2 wijkt af. Welke uitspraak is juist

qi (a) Wi/1000 (a) qi (b) Wi/1000 (b) qi (c) Wi/1000 (c) qi (d) Wi/1000 (d)
A 800 640 700 700 700 700 700 700
B 800 640 600 720 600 600 800 800
C 700 700 600 720 600 540 900 810
D 800 640 600 720 600 540 900 810


Oplossingen:

Wie: Willem 4 jun 2006 21:54 (CEST)
Wat niet:

  • A, want: Indien ze een afspraak maken produceren ze allebei 600 eenheden
  • B, want: Als producent meer produceert dan zal die 900 eenheden gaan produceren om zijn winst de maximaliseren en geen 800
  • C, want: Indien ze allebei 700 eenheden produceren maken ze een winst van 715 en niet van 700

Wat wel:

  • D, want: als ge alles uitrekent klopt alles

7) Welke uitspraak is fout?

  • (A) Op de Lorenz-curve kan men vertikaal het cumulatief aandeel in het totale inkomen aflezen voor ieder inkomensdeciel dat horizontaal gemeten wordt
  • (B) Bij extreme ongelijkheid is de Lorenzcurve practisch horizontaal voor de lagere inkomensdecielen om later heel steil te worden
  • (C) De Gini-co¨effici¨ent geeft het percentage van de bevolking met een inkomen dat kleiner is dan de helft van het mediaan inkomen
  • (D) De Gini-co¨effici¨ent is hoger in de Verenigde Staten dan in België


Oplossingen:

Wie: Willem 31 mei 2006 18:18 (CEST)
Wat niet:

  • A, want: Per definitie
  • B, want: extreme ongelijkheid betekent dat de hogere decielen bijna alles hebben. de curve gaat dus in het begin praktisch volledig horizontaal zijn en op het einde enorm stijgen.
  • D, want: het oppervlak tussen de diagonaal en de lorenzcurrve van belgie is kleiner dan de oppervlakte tussen de diagonaal en de lorenzcurrve van de verenigde staten

Wat wel:

  • C, want: geeft de oppervlakte waar tussen de diagonaal en de lorenzcurve

Wie: ArDelLa 2 jun 2006 17:36 (CEST)
Wat: ik denk dat uw verklaring om antwoord D te verleggen niet klopt. De Gini-coëfficiënt hangt samen (relatief) met de oppervlakte tussen de diagonaal (geen ongelijkheid) en de curve. Als de Gini coëfficiënt van de VS dus groter is als die van België zal deze oppervlakte bij de curve van de VS groter zijn dan die van België

Wie: Roel 28 jun 2006 16:22 (CEST)
Wat: Uiteraard. Hij weerlegt dat antwoord dan ook niet, maar bevestigt dat het CORRECT is. In de vraag werd immers gevraagd welk antwoord FOUT was. Aangezien de curve vd VS idd een grotere oppervlakte heeft tussen zichzelf e.d. diagonaal dan de curve van België tussen zichzelf ed diagonaal, is de gini-coëfficiënt van de VS groter dan die van België. Dit werd geformuleerd in D, dus is D correct, edoch NIET het correcte antwoord, dat fout moest zijn ;-)


8) Welke uitspraak is fout?

  • (A) Omdat men niemand kan uitsluiten van de voordelen van publieke goederen kijkt men tegen het vrijbuitersprobleem aan
  • (B) Het vrijbuitersprobleem is een voorbeeld van een gevangenendilemma
  • (C) Voor de persoon die alleen het eigenbelang nastreeft en kan genieten van een goed zonder er voor te betalen, is betalen een strict gedomineerde strategie
  • (D) De burger belasten na een bevraging door een belastingambtenaar over zijn bereidheid om voor de publieke voorzieningen te betalen is beter dan de gebruikelijke financieringsvormen maar, omwille van hoge adminstratieve kosten, onuitvoerbaar.


Oplossingen:

Wie: Willem 31 mei 2006 18:18 (CEST)
Wat niet:

  • A, want: Per definitie
  • B, want: +- zelfde probleem
  • C, want: niet betalen is de dominante strategie, betalen is dus de gedomineerde strategie

Wat wel:

  • D, want:

Wie: Erik 22 juni 2006
Wat niet:

  • D, want: zie slide "Zuiver publieke goedren"

Wat wel:

  • C, want: dit is geen gedomineerde strategie (het is mogelijk dat betalen meer opbrengt dan niet betalen)
NB B
NB 0,0 1,2
B 2,1 1,1

9) Bekijk de formule

M= ({CP/D + 1}/{CP/D + r})MB

Welke uitspraak is fout?

  • (A) M = CP + D en CP+ R = MB
  • (B) De verhouding waarin het publiek bankbiljetten en desposito's aanhouden om betalingen te doen hangt af van de gewoonten van het publiek en is door de invoering van de bankkaart afgenomen
  • (C) de kasreservecoëfficient wordt door de banken gekozen om in de geldopvragingen van de klienten te voldoen zonder dat ze al te dikwijls zelf goed moeten ontlenen
  • (D) de formule toont aan dat de contrale bank de totale geldhoeveelheid in handen van het publiek indirect beinvloedt via de geldbasis die toeneemt indien ze buitenlandse valuta verkoopt.


Oplossingen:

Wie: Willem 31 mei 2006 18:18 (CEST)
Wat niet:

  • A, want: klopt. De "normale" definitie is: M/MB = CP+D/CP+R
  • B, want: lijkt me logisch maar kan ook fout zijn...
  • C, want: klopt.

Wat wel:

  • D, want: dno of die buitenlandse valuta er veel mee te maken heeft.

10) Overtypen!

11 t.e.m. 20

11) Welke uitspraak is fout?

  • (A) Mensen handelen volgens economisten rationeel indien ze een keuze maken die niet door een andere keuze kan verbetered worden.
  • (B) In een economische benadering wordt altruïsme niet uitgesloten, omdat het voordeel voor andere één van de dimensies kan zijn van de verlangens die de beslissingen drijven.
  • (C) De resultaten van een ecomische analuse zijn slechts geldig voorzover de agenten over een hoge graad van intelligentie beschikken.
  • (D) Indien de marginale baat van een verandering van de keuze groter is dan de marginale kost van de verandering, dan is de keuze verbeterbaar.


Oplossingen:

Wie: Willem 29 mei 2006 12:03 (CEST)
Wat niet:

  • A, want: rationeel = indien de mens zijn situatie kan verbeteren door zijn keuze aan te passen, zal hij dit ook doen.
  • D , want: de winst is maximaal als marginale kost = marginale opbrengst

Wat wel:

  • C, want: lijkt mij intuitief fout

Wie: --Ben 29 mei 2006 13:01 (CEST)
Info: al·tru·ïs·me
het altruïsme; afleiding(en): altruïstisch, altruïst

levenshouding van iemand die zijn handelwijze laat bepalen door de belangen van anderen
Wat
C, want: er is in de cursus helemaal niet gesproken over intelligentie, enkel rationaliteit. En das nie hetzelfde!


12) Overtypen!


13) Overtypen!


14) Welke uitspraak ik fout?

  • (A) Een plotse inkrimping van het aanbod van varkens door ziekte zal, ceteris paribus, de prijs tijdelijk omhoog duwen omdat de prijselasticiteit van het aanbod op korte termijn klein is
  • (B) Vooruitziende varkensboeren zullen na een tijdelijke prijsstijging hun productie verhogen waardoor na één productiecyclus de prijs in elkaar zakt.
  • (C) Een stijging van de brandstofprijzen verschuift het aanbod van serreteelten naar links.
  • (D) De evenwichtsprijs op een markt komt endogeen tot stand op het niveau waar vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn, maar de prijsnemers in de markt beschouwen deze verwachte prijs als een exogeen gegeven bij het bepalen van de hoeveelheid die ze willen verhandelen.

Wie: Willem 3 jun 2006 15:56 (CEST)
Wat niet:

  • A, want: aanbod daalt, prijs stijgt.
  • B, want:
  • D, want:

Wat wel:

  • B, want: zoals het zo mooi staat in de laatste slide van hfst2: vooruitziende varkensboeren zullen leren hun beslissingen niet louter te laten afhangen van de huidige prijs



15) Welke uitspraak is fout?

  • (A) Indien de marginale kost groter is dan de gemiddelde variabele kost dan stijgen de gemiddelde variabele kosten.
  • (B) Indien de marginale kost groter is dan de gemiddelde totale kost dan stijgen de gemiddelde totale kosten
  • (C) De lange termijnkosten zijn tenminste zo groot als de kortetermijnkosten
  • (D) Indien de dalende marginale onvangst gelijk is aan nul, dan bereiken de totale ontvangsten een maximum

Wie: Willem 3 jun 2006 13:16 (CEST)
Wat niet:

  • A, want: Indien de marginale kost groter is dan zal de xtra kost van een xtra eenheid het de gemiddelde variabele kost verhogen. bv: gemiddelde = 7 xtra eenheid= 8 => gemiddelde stijgt
  • B, want: zelfde voor de totale kost.
  • D, want: Zolang de marginale ontvangst boven 0 blijft zullen de ontvangsten stijgen, een keer onder de 0 zullen ontvangsten negatief toenemen en dus dalen.

Wat wel:

  • C, want:

16) Welke uitspraak is juist?

  • (A) A is de prijs van een obligatie met een coupon die gelijk is aan i*A waarbij i gelijk is aan de interestvoet op de markt en A de hoofdsom die op het einde van de looptijd wordt uitbetaald.
  • (B) Aandelenprijzen stijgen ceteris paribus, mee met de interestvoet
  • (C) De prijs van een aandeel stijgt nadat hogere dividenden ten gevolge van een succesvolle uitvinden worden uitbetaald.
  • (D) De gedaalde aandelenkoersen van bedrijven in de informaticasector bewijzen dat men geen hogere prijs mag betalen voor aandelen omdat men een hogere groeivoet van de winst verwacht.

Wie: Willem 3 jun 2006 13:16 (CEST)
Wat niet:

  • B, want: aandelen? interestvoet? nix met elkaar te maken?

Wat wel:

Wie: Erik 22 juni 2006 Wat niet:

  • A, coupon is niet prijs x interest
  • B, prijs en rendement zijn omgekeerd evenredg
  • C, prijs stijgt al op basis van winstverwachtingen

Wat wel:

  • D inderdaad, speculatieve zeepbellen bestaan

17) Er zijn drie elkaar aanvullende benaderingen om de jaarlijkse economische activiteit te berekenen, welke uitspraak is fout ?
• A. de productiebenadering sommeert de toegevoegde waarde van de ondernemingen en de dienstver- lening van de overheid
• B. de inkomensbenadering bekijkt de inkomensvorming in de productie. De belangrijkste componenten zijn inkomens uit bezoldigde arbeid, ondernemersinkomen, inkomens uit vermogen (exclusief intresten op de overheidsschuld)
• C. de bestedingsbenadering bekijkt hoe dit inkomen besteed wordt. De drie belangrijkste componenten zijn consumptie, sparen en belasting
• D. zakencijfers van de ondernemingen sommeren zou tot dubbeltellingen leiden in de productiebenader- ing

Wie: Erik 22 juni 2006
Wat wel:

  • C in de bestedingsbenadering gaat het over consumptie, investeringen, overheidsuitgaven en export

18) Overtypen!


19) Overtypen!


20) Overtypen!

21 t.e.m. 30

21) Overtypen!


22) Overtypen!


23) Overtypen!


24) Overtypen!


25) Overtypen!


26) Overtypen!


27) Overtypen!


28) Welke uitspraak is fout in een markt bij volmaakte mededinging?

  • (A) Elke individuele aanbieder kijkt tegen een perfect elastische vraagcurve aan.
  • (B) De kwaliteit van het aangeboden product of dienst is voor elke aanbieder dezelfde.
  • (C) De bereidheid tot betalen is voor elke vrager dezelfde en is door elke aanbieder gekend.
  • (D) toetreden tot of uittreden uit de markt is aan geen wettelijke beperking onderworpen.

Oplossingen:

Wie: Willem 3 jun 2006 13:26 (CEST)
Wat niet:

  • A, want: klopt. De vraagcurve van elke aanbieder is horizontaal (perfect elastisch)
  • B, want: een van de vereiste van volmaakte mededinging
  • D, want: toe en uittreden zonder voorwaarde = een van de vereist van volmaakt mededinging

Wat wel

  • C, want: de bereidheid tot betalen is niet voor elke vrager dezelfde.



29) Welke uitspraak is fout?

  • (A) Het is noodzakelijk dat, voor q > 0, de marginale ontvangsten gelijk zijn aan de marginale kosten wanneer de winst maximaal is. Dit is ook het geval voor een ondernemer zonder econmische vorming die op de duur ondervindt dat er geen mogelijkheden meer zijn om zijn winst nog verder te verhogen
  • (B) Bij een niet-verbeterbare keuze van de consument is het noodzakelijk dat, voor ieder paar (qi,qj) met qi>0 en qj>0, (MNi/pi)=(MNj/pj). Anders kan hij hij zich door een herschikking van zijn budget verbeteren.
  • (C) Indien bij een keuze marginale verbeteringen uitgesloten zijn, dan is het onmogelijk deze keuze te verbeteren.
  • (D) De tradities die sinds eeuwen de productie en de consumptie regelen in stationaire maatschappijen bezitten een economische rationaliteit in de mate dat tradities een beste antwoord zijn op de terugkerende uitdagingen van het dagelijkse leven.

Oplossingen:

Wie: Willem 3 jun 2006 17:35 (CEST)
Wat niet:

  • A, want: def van winst maximalisering.
  • B, want: klopt indien MSV = -p1/p2 is de keuze niet verbeterbaar. MSV = -pi/pj = -MNi/Mnj => MNi/pi = MNj=pj


Wat wel

  • D, want: lijkt me fout.

30) Overtypen!

31 t.e.m. 40

31) Bij een overvloedig aanbod van tomaten wordt een gedeelte vernietigd. Men neemt deze maatregel omdat

  • (A) Tomatne een noodzakelijk goed zijn
  • (B) de daling van het aanbod kleiner is dan de toename van de prijs
  • (C) de vraag naar tomaten prijsinelastisch is bij een overvloedig aanbod
  • (D) het budgetaandeel van tomaten stijgt indien de prijs toeneemt.

Oplossingen:

Wie: Willem 3 jun 2006 15:40 (CEST)
Wat niet:

  • A, want:
  • B, want:
  • D, want:

Wat wel
C, want: Als we in het inelastische deel van de vraag zitten, zal door het grote aanbod de prijs dalen en zal het inkomen van de boer dus meedalen. Het is dus voordelig van een gedeelte te vernietigen.


32) Men stelt vast dat het budgetaandeel van voeding sinds 1850 in België gedaald is van 70% tot 15%. De reden is dat

  • (A) In de landbouw de terwerkstelling sterker gedaald is dan de stijging van de productiviteit.
  • (B) Voeding een noodzakelijk goed is.
  • (C) De arbeidslast is afgenomen.
  • (D) Door de sterke productiviteitsgroei de prijs van voeding relatief tot de andere prijzen gedaald is.

Oplossingen:

Wie: Willem 3 jun 2006 13:32 (CEST)
Wat niet:

  • A, want:
  • B, want:
  • C, want:

Wat wel
D, want:


33) Een student beschikt over 7 dagen om voor 3 vakken te studeren. Onderstaande tabel geeft het verwacht aantal punten indien zij aan elk vak het vermelde aantal dagen besteedt. Het maximaal aantal dagen dat men aan een vak kan besteden is 6. Het maximum voor ieder vak is 100. (a,b,c) betekent dat a,b,c dagen respectievelijk aan vak 1, 2 en 3 worden besteed. De doelstelling is het puntentotaal te maximaliseren.

dagen vak 1 vak 2 vak 3
1 30 41 42
2 47 54 55
3 60 62 61
4 72 73 66
5 80 78 70
6 85 80 73

Welke uitspraak is fout?


  • (A) De opportuniteitskost van een keuze is de waarde van de verloren gegande beste alternatieve aanwending
  • (B) Indien de student (3,2,2) overweegt, dan is de opportuniteitskost van een dag besteed aan vak3 gelijk aan 13
  • (C) Indien de student (3,2,2) overweegt, dan is de opportuniteitskost van een dag besteed aan ieder van de vakken telkens kleiner dan de bijdrage van deze dag tot het puntentotaal
  • (D) De student bekomt het hoogste percentage door voor(3,2,2) te kiezen


Oplossingen:

Wie: Willem 29 mei 2006 12:18 (CEST)
Wat niet:
A, Per definitie
C,

  • vak3: het verschil tussen 1dag en 2dagen = 13 en de opportuniteitskost = 12(het hoogste getal dat bij vak 1 en 2 bijkomt als we een dag extra aan deze vakken besteden). 13 > 12 => OK
  • vak2: het verschil tussen 1dag en 2 dagen = 13 en de opportuniteitskost = 12. 13 > 12 => OK
  • vak1: het verschil tussen 2 en 3 dagen = 13 en de opportuniteitskost = 11. 13 > 11 => OK

D, klopt

Wat wel:
B, want: de opportuniteitskost is gelijk aan 12. De beste keuze is dan een extra dag aan vak1 te besteden en het verschil tussen 3dagen en 4 dagen is gelijk aan 12



34) Overtypen!


35) Overtypen!


36) Overtypen!


37) Stel dat de indifferentiecurves, zoals in de figuren van het handboek met q2 op de y-as en q1 op de x-as, dalende covexe functies zijn. Voor een consiment die beschikt over het budget y voldoet de combinatie (q1,q2) aan

p1q1 + p2q2 = y
|MSV|> p1/p2

als delta duidt op een marginale verandering. Welke uitspraak is juist?

  • (A) door een vermindering van q1 met delta en door q2 met (p1*delta)/p2 te vermeerderen blijft het budget ongewijzigd en stijgt het nut zodat de keuze(q1,q2) verbeterbaar is tenzij q1=0
  • (B) door een vermeerdering van q1 met delta en door q2 met (p1* delta)/p2 te verminderen blijft het budget ongewijzigd en stijgt het nut zodat de keuze(q1,q2) verbeterbaar is tenzij q2=0
  • (C) door een vermindering van q1 met delta en door q2 met (p1*delta)/p2 te vermeerderen blijft het nut ongewijzigd en dalen de uitgaven zodat de keuze(q1,q2) verbeterbaar is tenzij q1=0
  • (D) door een vermeerdering van q1 met delta en door q2 met (p1*delta)/p2 te verminderen blijft het nut ongewijzigd en dalen de uitgaven zodat de keuze(q1,q2) verbeterbaar is tenzij q2=0

Oplossingen:

Wie: Willem 29 mei 2006 19:58 (CEST)
Wat niet :

  • A & C, want: Dat de |MSV| > p1/p2 betekent dat de indifferentiecurve sneller daalt dan de budgetcurve, dus moet q1 vermeerderen en niet verminderen<;br>

Wat wel:

  • B Door de bewerking (q2 met (p1* delta)/p2 te verminderen) komen we op een indifferentiecurve met een hogere nutsfunctie terecht

38) Overtypen!


39) Overtypen!


40) Overtypen!